school

Terug naar school

back to home pdf share

Wij dansen op het flinterdunne korstje van een gloeiende gasbol, en we noemen het de leerschool van de eeuwigheid. De school zelf dreigt meer en meer onbewoonbaar te worden, met name door het gedrag van haar scholieren. En wat is het trouwens, wat moet hier in feite geleerd worden?

Naast alles wat wij zo rondom ons horen en zien lijken wij te zijn verbonden met een databank waarin alles staat geregistreerd wat ooit gezegd, gevoeld, geschreven of gedacht is. Komt onze innerlijke ontvanger dan toevallig of gezocht in de buurt van een gevoelige frequentie dan flitst een kennen, een idee, doorheen ons brein. Wij noemen dat een ingeving. Dat ‘geven’ lijkt onvoorwaardelijk, het ontvangen vraagt wel een opening, een verwachting, een verlangen. Is dat er niet, wat aanvankelijk meestal het geval is, dan blijft het even bij een verwarring, een verontrusting, een rimpeling in ons gemoed. Eeuwig weerklinkt in de sferen de bazuin, maar de wereld gaat door met de dagorde; een enkeling heft het hoofd op, luistert, ademloos, - en niets is meer hetzelfde. Het lijkt erop dat wij in werkelijkheid midden in het al-weten staan, maar dat niet eens aan onszelf kunnen vertellen omdat wij niet over woorden en beelden beschikken om dat ervaren een herkenbare vorm te geven, noch over een instrument om illusie en werkelijkheid uit elkaar te houden. Zo scheppen de prille impulsen van het innerlijke weten wel enige deining: de ziel wil er uit leven, het ik wil het bezitten.

Niettemin is kennis, of het nu bewust of onbewust is, eerste vereiste om te overleven. Grofweg beschouwd is dat een drieluik van 1-genetisch, dus overdracht van tijdsgeest, volk, ras, voorouders, 2-Intuïtief, een innerlijk schouwen van wat ‘in de lucht hangt’ en tenslotte 3-alles wat ‘Onderwijs’ wordt genoemd.

Kennis, vaardigheden verwerven, uit welke hoek dan ook heet ‘leren’. Leren verwijst naar School; onderwijs, studie, het aanvullen van de noodzakelijke kennis om in het aardse bestaan te functioneren, naar aanleg en believen of uit noodzaak. Voor de meesten is het hoogste bereik van dit lessenpakket een of andere vorm van een diploma, - met of zonder felicitaties van de jury. Sommigen echter ondergaan daarnaast een onbestemd gewaar-zijn dat als een vreemde rode draad in het leerproces is verweven; een spoor van raakpunten met dat schijnbaar ingebouwde weten. Op zich is dat niet bijzonder; in ieder mens lopen beide kanalen parallel, zij het wel met wisselende accenten. Zo schept een solide verankering in de stof, naast de nodige bagage voor de aardse reis, de rust en de ontvankelijkheid in ons gemoed om de signalen van dat andere, dat innerlijk leven en weten, te ontdekken en te verkennen. Een wonderlijk mechanisme dat op de meest onverwachte momenten een venster kan openen naar onvermoede perspectieven. Niet zomaar toevallig; het is er gegroeid en gerijpt, als een innerlijk kompas dat zich zoekt te uiten, te openbaren. Zo is de in alle tijden zo aanbevolen ‘Mens ken uzelf’ grotendeels het wekken, het ontdooien van dat innerlijk raakpunt. Even aanbevolen daarnaast is: de keizer te geven wat de keizer toekomt. Het programma is de hemel, de klas is de aarde. Een dualiteit die zo zijn complicaties heeft, want die dubbele stroom biedt ons denken en doen enerzijds een harmonieuze ontwikkeling, maar stelt ons anderzijds steeds weer voor een keuze. Past de suggestie, de ingeving, in het gewone aardse draaiboek of tast ze eerder zijn grenzen af, misschien zelfs met een steelse blik naar de overkant? Aanvankelijk wordt ons meteen duidelijk gemaakt wie kiest, wie tot hiertoe ons doen en laten stuurt; nu eens een dreigend gebulder, dan weer de verlokkingen van de aardse machten voegen alle rebellie weer netjes in het gareel. Zij kunnen niet anders, het is hun taak om de mens van alle lagen en aspecten van de aarde te laten proeven.

Dat zijn er nogal wat. Gaande van een haast paradijselijk beleven tot en met de mens waarin noch hemels licht, noch aardse geneugte een raakpunt vindt; de mens die niets meer gelooft, niets meer hoopt, niets meer verwacht. Alleen nog die ene gedachte: ik wil er uit.

Ook dat is niet nieuw. Reeds ‘van den beginne’ zoeken mensen aan de aardse sfeer te ontsnappen, al weten zij vaak niet eens waarheen dan wel. Droom, drank, drug, games, beat, virtuele werelden, spel…; in alle mogelijke gradaties, gaande van een onschuldige roes, tot en met de fatale uitstap. Weg, wég van deze aarde, desnoods de vergetelheid in - zónder diploma.

Is deze planeet die wij hier ‘school’ noemen overigens echt wel bewoonbaar? Wij dansen op het flinterdun korstje van een gloeiende gasbol die met een waanzinnige vaart rond zo’n andere gasbom tolt, die op haar beurt in een nog grotere mallemolen gevangen zit. Met snelheden en afstanden die geen mens zich kan voorstellen. Bovendien nog weerloos gedropt in een mensonvriendelijke wereld. Te warm, te koud, uitersten van dag en nacht en seizoenen, permanent belaagd met ziekten, natuurrampen, allergieën. Daarbij (gif)planten, (roof)dieren en (mede)mensen nog niet meegerekend. En vergeet vooral de allergieën niet en de zonnebrandolie! Tel dat allemaal samen en onze uitrusting komt al dicht in de buurt van een ruimtepak. Maar alles kleurig verpakt in een paradijselijk decor waarin wij tussen twee rampen door heel even op adem kunnen komen.

Zijn wij misschien niet echt bewoners van deze planeet maar eerder ‘Astronauten’, ergens door kosmische Titanen afgeschoten, op weg naar de sterren? Op weg; het zit duidelijk in onze genen. Reizen, pelgrimage, bedevaarten, safari’s; altijd op weg naar elders, naar anders, naar ver-weg, weg van hier en nu. De eeuwige Ahasverus, op weg naar een onbekende verte, een doel dat telkens mee opschuift en ons telkens weer belet te ‘aarden’. Zo blijven wij pelgrims, vreemdelingen in eigen huis. Alsof een innerlijk weten ons telkens weer herinnert dat wij hier inderdaad uiteindelijk niet thuishoren, maar niettemin de capsule die wij ‘ik’ noemen alles in huis heeft om de ‘school’ met vrucht af te maken; in de plooien en knopen van die onmogelijke wereld zit de weg naar het ware mens-zijn verborgen. De zogenaamde databank is de eeuwige bron die alle vragen hoort en alle antwoorden geeft, het woord dat wij op dat moment nodig hebben, ongeacht of dat uit aardse of hemelse sferen stamt; de metgezel die mét ons de hoogste vreugden deelt en mee afdaalt in zwartste ‘niets’. Want de naam van die bron is ‘Liefde’, en liefde kent geen onderscheid. Zo kan dat antwoord iets zeer verhevens zijn, of juist iets zeer gewoons; een oefening die nog moet worden gemaakt.

Eenmaal, als het rusteloos geklater van het eigen wezen gaat verstommen, vernemen ook wij de bazuin, de Stem die wij al zolang met ons meedragen. En wij heffen het hoofd, luisteren, ademloos, - en gaan. Weerloos misschien, maar onoverwinnelijk.

Bron: Dit artikel is eerder verschenen in Petagram 2018, nummer 4

back to home pdf share