Spinozahouse

Daar moet veel strijds gestreden zijn

back to home pdf share

 

Daar moet veel strijds gestreden zijn,

veel kruys en leeds geleden zijn,

daar moeten heyl’ge zeden zijn,

een nauwen weg betreden zijn,

zoolang wij hier beneden zijn,

zoo zal ’t hierna in vreden zijn.

Uit: Dirck Camphuysen Stichtelijke Rymen (1624)

 

Deze gevleugelde regels uit de Nederlandse literatuur van de zeventiende eeuw zijn ontleend aan het verzamelbundeltje Stichtelijke Rymen van Dirck Rafaëlszoon Camphuysen (1586-1627). We kunnen het in onze tijd haast niet meer voorstellen dat dit gedichtje en de bundel waarin het verscheen anoniem op de markt moesten komen omdat de auteur gezien werd als een vertegenwoordiger van het ‘coornhertistische’[1] gedachtegoed. Dat vormde een belangrijk bestanddeel van het remonstrantse denken, dat na de Synode van Dordrecht (1619) hardvochtig uit het collectieve geheugen moest worden verwijderd. Prompt werd het boekje met meer dan vijftig herdrukken de meest gelezen dichtbundel uit onze literatuur! Zelfs uit deze zes regels valt wel iets van Camphuysens remonstrantse ideeën af te leiden. Tegenover de contra-remonstrantse gedachte dat mensen uit zichzelf niet goed konden zijn, voorbestemd waren en helemaal afhankelijk waren van Gods genade, stelden de remonstranten dat gelovigen vrij waren om hun verantwoordelijkheid te nemen. Bij hen was de menselijke wil doorslaggevend. Daarom is het veelzeggend dat de dichter hier de zaken benadrukt die de mensen zelf kunnen en moeten doen: innerlijke strijd voeren, de christelijke zeden betrachten, een nauwgezet leven leiden en bidden.

Het vers moet de gebroeders Leene en hun compagnon Cor Damme in de opbouwperiode van de geestesschool hebben aangesproken want in 1933 namen ze het op in het periodiek ‘Het Rozekruis’.  Zo is het later in de standaardliteratuur van de school terechtgekomen: De Vuurgloed van de Ontstijging [2].

Het gedichtje klinkt soms door in de struise statements die vooral Z.W. Leene in die dagen tijdens spreekbeurten afgeeft, statements waarmee hij de strijd aangaat met de begoochelingen en mystificaties die leven onder zijn toehoorders. De immer vol vuur acterende Z.W. Leene kon mensen in korte tijd sterk aantrekken maar ook heftig afstoten:

Denk zelf! Dat is een heldentoer. Dat betekent verloochend te worden door familie en vrienden, dat betekent vereenzaamd en vergeten door een verkilde en geestelijk verarmde wereld gaan. Wie dat durft – deze heldenstrijd te strijden en het met God zelf te wagen, och, ik zou u willen zeggen: gij zult het niet gemakkelijk hebben. God vraagt niet de gemakkelijke mens. Maar God heeft lief de durvers, de besten, de hemelbestormers en vooral de oprechten. Dat zijn zij die eerlijk durven denken en niet uit vrees voor straf napraten wat ze niet naar diepste wezen verstaan kunnen en begrijpen.  

Leene ontneemt zijn toehoorders drastisch de illusie ook maar iets te zijn.

Niemand betekent iets die niet iets is – en die niet iets is geworden. Iemand worden kunnen we alleen maar wanneer we de volle kennis dragen. Wanneer zijn we eraan toe om kennis te nemen aangaande de eeuwige onveranderlijke wetten Gods? Als we gaan begrijpen dat we ernst met ons leven hebben te maken – door Christus’ voorbeeld te volgen en zijn stappen te drukken – niet alleen zondags maar de hele week. En… als gij omhoog wilt streven, zult ge moeten werken en studeren.

  

Opmerkelijk is dat de grote filosoof Baruch Spinoza de kwaliteiten van Camphuysen, die evenals Spinoza een tijdje vertoefde in kringen van de collegianten [3] te Rijnsburg, moet hebben onderkend. Wie het fraaie oude Spinozahuisje in Rijnsburg [4] bezoekt, waar Spinoza een paar jaar woonde, leest daar boven de ingang het volgende versje van Camphuysen, tevens het laatste couplet van diens gedicht ‘Maysche Morghen-stondt’ waaraan ook ons titelvers is ontleend:

Ach! Waren alle mensen wijs

En wilden daarbij wel!

De Aard waar haar een Paradijs

Nu isse meest een Hel.

           

Ook Spinoza’s levensmotto

wel doen en vrolijk zijn 

(bene agere et laetari)

is ontleend aan een bekend gedicht van Camphuysen, die daarvoor op zijn beurt weer schatplichtig is aan Dirck Volckertszoon Coornhert. Die schrijft in zijn ethica Zedekunst dat is wellevenskunste (1586):

Want voor allen die het kwade in zich laten versterven, is het goed-worden geen waandenkbeeld maar een waarheid die zij ervaren. Dit geeft een waarachtige en blijvende blijdschap, is niet anders dan wel doen en vrolijk wezen, dat is voor alle mensen het allerbeste. Wie dit kan, in daden en niet enkel in praatjes, die heeft waarlijk wellevenskunst.

 

Waren de verzen van Camphuysen al aansprekend voor een grote lezersschare, de veelbewogen levensloop van de in de literatuurgeschiedenis maar mondjesmaat behandelde dichter spreekt misschien nog meer tot de verbeelding. Camphuysen was de zoon van een gerespecteerde en alom beminde heelmeester van adellijke afkomst in zijn geboortestad Gorinchem. Zijn moeder was een vrouw ‘van zonderlinge [dat wil zeggen: uitzonderlijke] godvruchtigheid’, zo lezen we in zijn levensbeschrijving. Er wordt bij vermeld dat ze daarin naar haar vader aardde, een zekere Hans van Maseyck, ‘een koopman die hem [= zich] om de belijdenissen des geloofs heeft laten onthalzen.’ Dit martelaarschap van opa heeft ongetwijfeld invloed gehad op de gevoelige kleinzoon. Dirck was al vroeg wees, werd opgeleid voor schilder maar werd uiteindelijk huisonderwijzer en secretaris bij de heer Van Boetzelaer op Slot Loevesteijn, kort voordat Hugo de Groot daar in zijn vermaarde boekenkist wist te ontsnappen. Hij slaagt erin daar ook zijn teerbeminde, Anna Alendorp, als gouvernante binnen te smokkelen. Het tweetal wordt weldra weggestuurd; Camphuysen trekt naar Utrecht om leraar te worden en tegelijk godgeleerdheid te studeren. In Utrecht wordt hij zich bewust van de ijdelheid der dingen van deze wereld en komt hij tot het inzicht dat maar één keus de goede kan zijn: die van het

smalle pad terug naar het hemelse vaderland.

Hij was enige jaren predikant in Vleuten. Onder zijn toespraken stroomde de kerk steevast helemaal vol, zelfs met gelovigen uit Utrecht. Maar hij werd afgezet door de Synode van Dordrecht. Hij moest het land ontvluchten, leidde lange tijd een zwervend leven, vond uiteindelijk asiel in het Duitse Norden (Oost-Friesland), dertig kilometer noordelijk van Emden, waar Coornhert enkele jaren eerder een schuilverblijf had. In Norden ontwikkelt hij een diepe afkeer van de zichtbare kerk. Het zichtbare is het wereldse, het niet verloste, het niet geestelijke. De kerk als instituut kent alleen de letter en niet de geest. Deze visie was voor hem doorslaggevend bij zijn besluit om nooit meer te preken. Wat hem rest is, zich door middel van zijn poëzie tot het hart van de mensen te richten om ze te doordringen van het enige dat telt, de werkelijkheid van God. In zijn gedichten geeft hij blijk van een op de praktijk gerichte, ondogmatische vroomheid, die zijn werk in brede lagen van de bevolking der Nederlanden zo populair maakt. Niet de letter, maar de geest; niet een dor verstandelijk weten, maar kennis die voortkomt uit werkelijke ervaring.

Na zijn verbanning mocht de dissident Camphuysen via Ameland terugkeren naar de Republiek. Hij belandde in Dokkum. Als hij zich slechts met het verkopen van vlas bezighield, werd hij er geduld. Op 19 juli 1627 legde hij er, uitgeput en doodziek, zijn moede hoofd voorgoed neer.

 


Bronnen:

[1] Volger van Dirck Volckertszoon Coornhert (1522 – 1590)

Eerherstel van dogmavrij lichtdrager Coornhert na geschiedvervalsing | Pentagram boekwinkel (spiritueleteksten.nl)

Coornhert, licht in Europa - Burger, Jan Peter - 9789067324533 - uitgeverij rozekruispers

[2] Peter Huijs, De vuurgloed van de ontstijging, blz. 30 , Rozekruis Pers,  Haarlem 2012

[3] De collegianten vormden in de zeventiende eeuw een vrijzinnige stroming die pleitte voor een universeel christendom. Het ware geloof sloot geen enkele gelovige buiten, van welke richting hij of zij ook was. De collegianten waren wars van dogma’s en theologie. Bij hen lag de nadruk op de beleving, op het directe contact met God. Zij wilden geen kerkgemeenschap zijn. Hun leden kwamen uit de verlicht-christelijke kringen van doopsgezinden en remonstranten. In hun maandelijkse leerbijeenkomsten, de zogenaamde ‘colleges’, kon iedereen vrijuit spreken. De eerste bijeenkomsten van collegianten vonden plaats in Warmond maar al gauw (1621) werd Rijnsburg het middelpunt. Bekendste Rijnsburgse collegiant was Spinoza. Ook van Rembrandt is bekend dat hij sympathie had voor de collegianten. De bekende schrijfster Aagje Deken is in een collegiantisch weeshuis opgevoed.  De geestelijke liedcultuur van de collegianten stond op hoog niveau mede dankzij de veelvuldig gebruikte liedbundels van Dirck Camphuysen.

De collegianten waren voor verdraagzaamheid, verwierpen iedere exclusiviteit van de kerken, streefden naar het herstel van het christendom in zijn puurste vorm omdat ze de reformatie mislukt achtten. Allerlei theologieën en filosofieën (zoals het spinozisme en cartesianisme) konden vrijelijk worden bediscussieerd. Op die manier boden de collegianten een podium voor de ondogmatische intelligentsia. Daarom worden zij wel eens gezien als de voorlopers van de verlichting. 

[4] Zie het schilderij van Anton L. Koster (1859-1937) van het Spinoza huis in Rijnsburg bovenaan dit artikel

back to home pdf share