Appletree

De appelboom – een verhaal uit de hindoestaanse traditie

back to home pdf share

Een kind in het dorp ging graag naar de boom toe. Ze beklom de heuvel vrijwel dagelijks om de boom te groeten, aan zijn voeten te zitten en te spelen. Vaak speelde de boom dan met haar mee, wuifde met zijn takken in de wind, stond toe dat ze een appel plukte en liet er soms een voor haar vallen.  Zo ging dat jaren lang in het ritme van de seizoenen.

Tot er op een dag iets veranderd leek te zijn. De boom zag het meisje met gebogen hoofd en hangende schouders de heuvel beklimmen, en zei: ‘Hé, wat is er aan de hand? Zo heb ik je nog nooit naar me toe zien komen.’ Het meisje zuchtte en zei: ‘Ach, ik weet het niet, ik voel me gewoon een beetje verdrietig.’ Om haar op te vrolijken sprak de boom: ‘Maar we kunnen samen spelen, dan word je misschien weer wat blijer’, en hij wuifde met zijn takken, waarbij de bladeren van een tak zacht langs haar wangen streken. ‘Ach nee, ik heb geen zin om te spelen,’ antwoordde het meisje. ‘Ik heb geld nodig, om dingen te kopen die ik nodig heb.’ ‘Nou,’ sprak de boom, ‘ik heb geen geld maar je kunt mijn appels meenemen en die op de markt verkopen. Dan heb je geld en kan je de dingen kopen die je nodig hebt.’ En zo gebeurde het een aantal jaren en het meisje, dat langzaam uitgroeide tot jonge vrouw, kon met het geld van de appels in haar behoeften voorzien. Voor een aantal jaren was ze daar gelukkig mee.

Tot het op een dag weer heel anders ging. De appelboom zag zijn vriendin met gebogen hoofd  de heuvel beklimmen en zei: ‘Wat is er met je? Zo ken ik je niet, is er iets gebeurd?’ De jonge vrouw haalde haar schouders op en zei: ‘Ja, ik weet het niet, ik ben niet meer tevreden.’ De boom antwoordde: ‘Misschien kan ik je helpen, vertel me eens wat er aan de hand is.’ De jonge vrouw antwoordde: ‘Ik heb hout nodig om een huis voor mezelf en mijn partner te laten bouwen. We hebben veel geld kunnen sparen maar het is niet genoeg, en hout is duur.’ ‘O,’ zei de boom, ‘maar daar kan ik je bij helpen hoor. Neem mijn takken, ze zijn dik en sterk genoeg.’ En de dikke, sterke  takken werden afgezaagd en zo kon de jonge vrouw het huis af laten bouwen en beginnen aan een leven voor haarzelf. De boom bleef met enkele kleine takken achter op de heuvel, en weer was de vrouw een poos gelukkig.

Op een dag, vele jaren later, zag hij de inmiddels volwassen vrouw met zware tred de heuvel beklimmen. ‘Hé, fijn dat je me weer eens komt bezoeken, hoe gaat het met je?’ ‘Ach, het gaat wel’, was het ietwat geforceerd luchtige antwoord. ‘Nou, dat klinkt niet zo heel blij, is er iets gebeurd met je? Kan ik je misschien helpen?’, vroeg de appelboom. ‘Tja, dat weet ik niet, maar weet je, mijn gezin is volwassen geworden en alle kinderen wonen nu op zichzelf. En ik besefte ineens dat ik nog nooit verder dan dit dorp en de omringende streek ben geweest. Ik zou eropuit willen trekken, de zeven wereldzeeën willen bevaren en andere culturen leren kennen. Maar dan heb ik een boot nodig.’ ‘O, maar daar kan ik je toch bij helpen! Neem mijn stam, je ziet hoe dik die is. Daar kan heel makkelijk een boot van gemaakt worden, en dan kan je overal heen varen.’ En zo gebeurde het, en van de appelboom bleef een brede, krachtige stronk achter op de heuvel bij het dorp.

Vele, vele jaren later kwam er een gebogen gestalte de heuvel op geklommen, waar de stronk van de appelboom geduldig had gewacht. Niet de stap van een kind, of de krachtige tred van een mens in de bloei van het leven, nee, het was een slepende, zo nu en dan haperende tred. En de stronk sprak tot de oude vrouw: ‘Hé, wat fijn dat je me weer komt bezoeken!’ want hij herkende het kind van destijds in de inmiddels oud geworden vrouw. ‘Hoe is het met je gegaan sinds de laatste keer?’ Als antwoord kwam er niet meer dan een gefluisterd zuchten. ‘Kom eens wat dichterbij, ik versta je niet,’ zei de boom, ‘maar rustig aan, neem de tijd, ik heb geen haast.’ Het zuchten werd zwaarder en de vrouw kwam heel langzaam dichterbij. ‘Wat wil je, wil je appels van me of hout?’ Het antwoord was: ‘Nee, ik heb niets nodig, ik wil graag een plaats om te rusten.’  Toen zei de boomstronk ‘O, kom hier maar op mij zitten, ik ben een goede rustplaats voor je, want ik zie dat je moe bent.’ En om de vrouw heen groeiden jonge twijgen met zilverwitte bloesem omhoog naar het zonlicht.

 

Bron:

Vrij naar Baghavad Gita 18

back to home pdf share