Nature

De milde vreemdeling

back to home pdf share

Op een blauwe maandag zat ik weer eens op een bankje in het park. Mijn ‘eigen’ bankje was bezet, tot mijn verbazing en dat was voor het eerst. Vanaf mijn dagelijkse plekje kon ik bijna het hele park overzien. Ik zag stelletjes over de paadjes lopen, lachend en zoenend of ongegeneerd ruziemakend. Ik zag eenden, zwanen en de laatste tijd veel ganzen in en rond de vijver. Honden renden rond over het uitlaatveldje; er is niets leukers dan een blije hond. Alles aan ze flappert: hun staart, hun oren en hun haar als het lang is. Zoekend naar een vrij bankje, bleef ik even staan voor een paar kleine kindjes, die duidelijk net konden lopen en voor wie een eend een wereldwonder is. Daar hebben ze trouwens gelijk in. Vreemd, zoals mensen dieren die in groten getale voorkomen soms niet meer bijzonder vinden. Ik sprak eens een vogelaar die me door zijn kijker liet turen naar een tjiftjaf. Naar een musje zou hij dat niet doen, want dat was een ‘gewone vogel’. Alsof die bestaan. Zo zat ik vaak te mijmeren in het park, als het tenminste niet hard regende. Een beetje motregen deed me niet zoveel en het friste alles op. Het groen werd groener en de lucht schoner.

Nu ik genoodzaakt was om een ander plekje te zoeken, bedacht ik: dat doet een mens geen kwaad want dan bekijkt hij de zaak eens van een andere kant. Ik vond een mooi nieuw bankje schuin tegenover het ‘mijne’, aan de andere kant van de vijver. Hier zat ik een beetje beschut en ik had niet zo’n breed zicht. Er zat bijvoorbeeld een eiland in de weg, waar ik nooit zo veel aandacht aan had besteed. Het was heel mooi – vast omdat er haast nooit iemand kwam. Er flitste opeens een ijsvogel langs en ik hoorde een hoop gekwetter links van me in de bosjes. Langzaam kwam ik in een dromerige toestand en ik richtte me niet meer op mensen, honden of ganzen maar verzonk als het ware in de sfeer. Een mal soort redeloze blijheid beving me en ik liet me erin gaan.

Hoe lang het had geduurd, wist ik niet maar ik kwam weer bij zinnen toen er iemand naast me op de bank schoof. Een man van mijn leeftijd, ook met een bril en een pet en een baardje. Hij groette en gaf me ook een knipoog, wat ik wel eigenaardig vond. Je knipoogt meestal niet tegen een vreemde, althans niet zonder aanleiding. Hij ging net iets te dichtbij zitten en ik schoof zo onopvallend mogelijk opzij. Hij lachte een kort, grappig lachje dus hij had het gemerkt.

Ik ben niet zo van de praatjes; ik vergenoeg me ermee om naar mensen te kijken maar ik hoef niet zo nodig met ze in gesprek. Ik keek daarom een poosje stug voor me uit maar die toestand was niet houdbaar. Ik had steeds de neiging om opzij te kijken naar mijn bankgenoot, die rustig en soms zacht neuriënd om zich heen keek. Dat zag ik uit mijn ooghoeken. Zodra hij zijn hoofd naar mij toedraaide, wendde ik mijn ogen af. Dat lukte een paar keer maar of ik nou een keer te laat was met afwenden, of dat ik besloot om gewoon te kijken, weet ik niet meer maar ik keek hem recht aan. Ik wilde wat zeggen want dat hoort in zo’n situatie maar mijn lippen wilden niet. Ik keek en ik zág hem – hoe moet ik dat uitleggen – ik zag hem van binnenuit en hij was mij zo bekend… Er kwam weer zo’n kort lachje en ik hield echt van dat geluid. U moet weten dat ik niet gewend ben om zulke dingen mee te maken en ook de woorden er niet voor ken maar het was mooi en ik zou haast zeggen: wonderbaarlijk.

Net toen ik bijna iets tegen hem kon zeggen, stond de man op, tikte aan zijn pet en liep weg. Daar zat ik, helemaal vol van gevoelens en in de war. Wat was er met me aan de hand? Mijn rustige parkgenot was veranderd in een wervelstorm van gevoelens. Opwinding was het niet, meer verwondering en blijheid – plus een heleboel onbegrip. Wat moest ik hier nu mee aan? Erover nadenken hielp niet en proberen het me nog eens voor de geest te halen, lukte niet. Het leek zelfs wel alsof dat niet was toegestaan. Ik zat daar maar en ik zat daar maar en de hele wereld stond op z’n kop. Toen het begon te schemeren stond ik op en liep naar huis maar ik viel bijna over een stoeprand en botste twee keer tegen iemand op. Thuis heb ik het hele verhaal aan mijn kat verteld maar die wist ook niet wat ze ermee moest.

Sinds die tijd ging ik steeds naar het nieuwe bankje en ik verlangde ernaar dat hij weer zou komen, wat ik heel gek vond van mezelf. Ik kwam nooit meer in dat dromerige sfeertje terecht en mijn geheugen werkte nog steeds niet mee. Op het laatst begon ik te denken dat ik me het hele geval had verbeeld. Dat dromerige sfeertje was gewoon een droom geweest, bedacht ik. Maar het werd daarmee niet rustig in mij.

Elke dag dwaalden mijn gedachten keer op keer naar dat bijzondere moment en het werd bijkans een obsessie. Dan hing ik soms een beetje voor de tv om me af te leiden maar vaak sukkelde ik daarbij in slaap en die combinatie was niet prettig. Ik had het idee dat ik al slapend al die oppervlakkige praatjes in me opnam en besloot in het vervolg dan maar even naar bed te gaan in zo’n geval. Ook vanmiddag heb ik dat gedaan en toen kreeg ik een droom, een echte droom want ik sliep. In mijn slaap kwam dezelfde man binnen, ging op de rand van mijn bed zitten en lachte zijn korte lachje. Hij keek me aan en begon een lied te zingen. Ik kende dat lied, al kon ik niet horen waar het over ging. Ik kende het al eeuwenlang. Hij zag het aan me en knipoogde. Toen vertrok hij.

En nu zit ik op de bank en zet de boel op een rijtje.

a. Ik zit op een heel ander bankje dan gewoonlijk en raak in een dromerige stemming.

b. Een man die ik niet ken komt naast me zitten en werpt me een knipoog toe.

c. Hij gedraagt zich vreemd, neuriet en lacht alsof hij een goede vriend van me is maar dat kan niet.

d. Toch vertrouw ik hem op slag en voel zelfs heel veel voor hem.

e. Als hij vertrokken is, mis ik hem erg en verlang naar hem.

f. Ik zie hem zo lang niet meer, dat ik niet meer geloof dat hij echt is.

g. In mijn droom komt hij langs en die droom lijkt geen droom, al sliep ik.

Ik denk opeens dat ik wakkerder was toen ik net sliep dan nu, nu ik helder kan denken. Uitermate verwarrend en er is niets meer dat lijkt op enige logica. Mijn leven heeft een vreemde draai genomen en er stroomt een gedachte bij mij binnen dat het waarachtig wel tijd werd ook. De stroom gaat gepaard met een sterke herinnering aan hem die ik dacht niet te kennen maar die ik blindelings vertrouw en die mij verwarmt met de milde blik in zijn ogen. Hij zal altijd bij mij zijn, dat weet ik maar hoe het zit? Geen idee. Wel weet ik dat ik op de goede weg ben. Ik lach naar de kat en die grijnst naar me. Dat doet zij wel vaker maar nooit eerder zo breed.

 

 

back to home pdf share