tree by Peter Herrle

De mythische ruimte

back to home pdf share

Een concept voor de vormgeving van de levensruimte was en is in sommige omgevingen van onze planeet de mythische ruimte. In alle culturen was zij bekend. Ze was de basis van talloze ceremonieën en rites, het plan voor de bouw van tempels, huizen en hele steden. Aan de stedelijke culturen in Mesopotamië, in het Indus dal, in Noord-China, Zuid-Amerika, het centrale Andes gebied en in de Yoruba territoria in het huidige Nigeria [1] lagen kosmologische concepten ten grondslag, die in de natuur niet voorkomen, maar die “uitvindingen” waren van daarvoor gekwalificeerde mensen, inspiraties die daarmee noch willekeurig noch irrationeel waren.

Afb. 1: Vishnu schrijn in Kadmandu, Nepal Bron: schrijver (zie boven)

 

Afb. 2: Vishnu schrijn in Katmandu, Nepal, detail. Bron: schrijver

 

Afb. 3: Schrijn in Sankhu, Nepal. Bron: schrijver

De afbeeldingen 1-3 laten aspecten zien van de mythische ruimte, het zijn ruimtelijke voorstellingen van een kosmologie.

  • Ze stellen een driedimensionale, “verticale” verbinding voor met kosmologische concepten en verbinden deze concreet, begrijpelijk en tastbaar met de gebouwde realiteit.
  • Ze drukken de zichtbare realiteit uit, aangezien de verwering van het bouwwerk niet aan rituele kracht inboet, wat door de rituele stichting ingeplant werd

De mythische ruimte is een betekenisvolle ruimte en maakt de tussenruimte tot een thema, de brug tussen religieuze, mythische voorstellingen en onze driedimensionale ruimte-tijd-wereld.

Welke kwaliteit laat deze mythische ruimte ons zien

We hebben aan Euclides (3e eeuw v. Chr.) een ruimte concept te danken, waaraan het principe van homogeniteit ten grondslag ligt en dat steeds weer tot dezelfde uitkomsten leidt: Een meter is altijd even lang, om het even waar ik hem ook meet. Zo ontstaan controle en betrouwbaarheid, de basisprincipes voor het functioneren van een complexe maatschappij. Deze ruimte is gelijkvormig, heeft overal dezelfde kwaliteit en dichtheid. Dat maakt een wiskundige blij, ook als het beleven van de ruimte in het dagelijks leven anders is. Sommige plaatsen komen ons groter voor dan ze in werkelijkheid zijn, afstanden beleven we niet overal hetzelfde.

In tegenstelling tot de ruimte van Euclides staat de mythische ruimte, die door Ernst Cassirer [2] op de volgende manier gekarakteriseerd wordt:

In tegenstelling tot homogeniteit, die heerst in het geografische begrip ruimte, is volgens de mythische beschouwing elke plaats en elke richting als het ware voorzien van een bijzonder accent – en dit voert terug naar het eigenlijke mythische basis accent, op de scheiding van het profane van het heilige.

Mircea Eliade [3] differentieert in 1957 verder:

Voor de religieuze mens is de ruimte niet homogeen. Zij vertoont breuken en scheuren; zij bevat onderdelen, die kwalitatief van de overige delen verschillen (…) Er bestaat dus een “heilige”, d.w.z. “sterke” betekenisvolle ruimte, en er zijn andere ruimtes, die niet heilig en daarom zonder structuur en stevigheid zijn, met andere woorden amorf, vormloos. Deze niet-harmonie van de ruimte beleeft de religieuze mens als een tegenstelling tussen het heilige, d.w.z. het enige werkelijke, de werkelijk bestaande ruimte en al het andere, wat hem omringt als een vormloos geheel. (…) De religieuze beleving van de niet-harmonie van de ruimte stelt een oerervaring voor, die we mogen gelijkstellen aan een “wereldstichting”. Het gaat niet om een theoretische speculatie, maar om een primair religieus beleven, dat vooruitloopt op alle reflecties over de wereld.

De mythische ruimte is niet alleen een speculatie van de religieuze mens, maar een constitutief element van de oriëntatie van de mens, en als we de uitspraak van Mircea volgen, dat het gaat om een “wereldstichting”, dus om een kosmogonie, dan krijgen mandala’s de betekenis van kosmogrammen [4].

Mandala’s zijn symbolen voor het uitleggen wat de wereld is en de samenhang daarvan, ze duiken in alle culturen in de meest verschillende vormen op en construeren een collectieve identiteit, ze geven inspiratie in zoverre ze door vaklieden (priesters) uit het onderbewuste gehaald worden of vertaald worden naar de wereld van elke dag, waardoor een orde, die achter alle dingen bestaat, ervaren of begrepen kan worden.

Maar mandala’s zijn niet alleen kosmogrammen, het gaat daarbij ook om het proces van de vereniging met de universele orde, uitgaande van de voorstelling dat het heelal, doordat het de veelvoudigheid van de werkelijkheden “verbrak” [5], de grote “goddelijke” samenhang heeft verloren of dat deze goddelijke samenhang niet meer gemakkelijk of permanent voor de mensen toegankelijk is. Om de samenhang in te zien, in het bewustzijn actief te maken en te beleven, zijn beelden nodig die inspireren, want een proces zonder een aanschouwelijke voorstelling van stapsgewijze treden en zonder doel blijft abstract. Mandala’s kunnen ideale voorbeelden vormen.

Afb. 4: Mandala als kosmogram, Paro Dzong, Bhutan, Bron: [6]

 

Afb. 5: Mandala als weg. Bron: [7]

Het niet gemanifesteerde binnenhalen

Om iets te kunnen begrijpen, dat niet direct te begrijpen is, heeft de mens, verhalen, narratieven nodig, die het abstracte en tijdloze naar de tegenwoordige tijd brengen. Kosmogene mythes zijn zulke narratieven, verhalen, die een verklaring van de wereld vormen en zekerheid verschaffen in een onoverzichtelijke, instabiele ervaring van de wereld. Zulke verhalen hebben echter niet alleen betrekking op de hele wereld als geheel, maar in het bijzonder op steden.

Steden waren en zijn een verzameling van verschillende manieren van leven, die zonder een geordend wereldbeeld, die potentiele conflicten in zich hebben, niet functioneren.

Een mooi voorbeeld wordt geciteerd door Volwahlsen [8]:

Lange tijd geleden bestond er iets , niet gedefinieerd door een naam, in een onbekende vorm. Het was tussen hemel en aarde. Toen de goden het zagen, pakten ze het en duwden het op de grond, met het gezicht naar beneden. Zoals de goden het zagen, zo houden ze het. Brahma liet het door de goden bezetten en noemde het Vastu Purusha.

Hier wordt duidelijk dat het proces van “binnenhalen” het niet gemanifesteerde in het gemanifesteerde geen automatisch verlopende aangelegenheid is: De abstracte ziel (ook wel oermens) (parusha) moet geholpen worden, zodat ze zich verbindt met de basis waarop gebouwd moet worden, als vastu parusha. Deze ”steun” vertoont zich in de stichtings- en inwijdingsrituelen voor gebouwen en hele steden. Deze ruimte-tijd-wording is geen eenvoudige gebeurtenis.

Afb. 6: Vastu-Parusha- mandala en de verdeling in pada’s, Bron: [8]

De gestalte in het vierkant stelt de oervorm voor, die ten grondslag ligt aan elk gebouw, en tegelijkertijd is het een voorgeschreven principe. De vastu purusha is toegekeerd naar de aarde, hier ligt de opdracht: de onoverzichtelijkheid van de natuur te ordenen en een levensruimte te vormen voor goden en mensen. De basismandala symboliseert de gerichte, geordende ruimte, die in relatie staat met een niet-zichtbare, maar niet minder realistische ruimte. In het basis ritueel wordt deze samenhang neergezet.

Een blik in de moderne tijd

We leven in een wereld van fragmentering van alle levensgebieden, van globale netwerken, de opsplitsing door het opbreken van de natuurlijk collectieven. Met uitzondering van de geconsumeerde waardes is er in het algemeen geen verbindend ideaal beeld meer. Religieuze idealen hebben aan kracht verloren.

Het egoïstisch mensbeeld, de psychologische mens van deze tijd, heeft zich gevormd in de renaissance. De Florentijn Philippo Brunelleschi (1377-1446) geldt als ontdekker van het centrale perspectief, die de ik- waarnemer in het middelpunt plaatst. Daarmee zijn de mensen, zogezegd uit het mythische midden “gevallen” en bekijken de objecten nu vanuit hun eigen perspectief. Descartes (1596-1650), wegbereider voor de verlichting, onttroonde de god in de hemel. Hij benadrukte de mondigheid van de mens, verplaatste de religie naar de verantwoordelijkheid van ieder individuele mens en bereidde zo de weg voor het tegenwoordige denken. In zo’n context is het moeilijk mensen aan een collectief geordend schema van wereld en kosmos te binden.

Jürgen Habermas stelde in 1968 vast dat met betrekking tot de erkenning en legitimatie van de idealen de moderne mens zich distantieert van de traditionele maatschappij, dat de moderne mens als een legitimatie ziet, om zich

niet door de hemel van de culturele overlevering naar beneden te laten halen, maar zich omhoog te laten halen door het maatschappelijk werk [9].

In heldere taal: In de moderne maatschappij zijn de officiële voorbeelden van de moderne tijd, zoals wij ze hier bijvoorbeeld bekeken hebben naar het voorbeeld van de mythische ruimte, overbodig.

Het toenmalige succes van het “maatschappelijke werk” is, dat we de plaats van de betekenisvolle mythische ruimte hebben laten innemen door de consumerende ruimte.

De Niet-plaatsen

De Franse antropoloog Marc Augé [10] heeft verlies aan betekenis van de ruimtes als het ontstaan van Niet-plaatsen gedefinieerd:

Toch zijn de Niet-plaatsen de maatstaf voor onze tijd, wat zich laat kwalificeren en wat men zou kunnen zien, als men (….) de som van de vliegtrajecten, de spoorlijnen en de autobanen, de mobiele “woonplaatsen”, die men verkeersmiddelen noemt (vliegtuigen, spoorbanen, auto’s) de luchthavens, stations en ruimtestations, de hotelketens, de vrije tijds parken, en inkoopcentra en tenslotte het gecompliceerde gewirwar van de kabelnetten en draadloze netten, die de extra aardse ruimte voor een zeldzame manier van communiceren vervangen, die het individu veelvuldig in contact brengt met een beeld over zichzelf.

Met andere woorden: De psychische ruimte wordt ontledigd van de betekenis, er ontstaan Niet-plaatsen, d.w.z. betekenisvolle leegten. De verbinding met de zingevende modellen breekt af; kerken en tempels worden herinneringsplaatsen en/of plaatsen voor monumentenzorg. De betekenis verlaagt zich tot virtuele ruimtes.

Er ontstaat iets nieuws

Tegenover dit wat cultuur pessimistisch statement zou kunnen worden genoemd, dragen de hierboven beschreven ontwikkelingen ook opties voor “een goed leven” in zich, wat er niet zou geweest zijn zonder het oude te ontbinden. Drie aspecten worden genoemd:

Het is juist de moderne natuurwetenschap die het eigen paradigma, dat de empirische kennis controleerbaar moet zijn, met de kwantumtheorie “op zijn kop” zet.

Wat zich vertoont, bezit een overeenkomst met de constructie van de mythische ruimte: Het ontstaat door zijn waarnemer. Het succes van bepaalde pogingen hangt af van het bewustzijn van diegene die het uitvoert. Verder leren we door de kwantumtheorie dat de oneindige verte en grootte inderdaad met het oneindig dichtstbijzijnde en kleine nauw samenhangt, misschien zelfs er een geheel mee vormt en dat dat ene zich op verschillende manieren manifesteert. We staan dus dicht bij het opnieuw ontdekken van de grote samenhang van de hedendaagse wetenschap en gaan het opnieuw formuleren.

Op maatschappelijk gebied zien we, dat de behoeften van de mensen naar zingeving buiten de rationaliteit niet heeft ingeboet. Habermas spreekt tegenwoordig over een ”post seculiere” wereld [11] waarin religie weer opduikt als leverancier van waarden, hoewel de maatschappij eigenlijk nooit in de diepste betekenis seculair is geworden – dat laten de boekenplanken vol esoterische boeken in de boekwinkels zien, evenals de hoogconjunctuur van de desbetreffende aanbiedingen van manifestaties en groeperingen. Anders dan vroeger gaat het echter om de ontsluiting van de “eigen” zingeving en het “eigen “levenspad.

Tenslotte zien we – in tegenstelling tot de individualisering – de tendens om samen te komen, dus het zoeken naar collectieve zingeving en waardes, wat vreemd genoeg niet meer gebonden is aan een plaats. Er bestaan trans lokale netwerken, die heden ten dage een onvermoede macht ontvouwen – niet alleen als consumenten van trans nationale collectieven, die gemeenschappelijke doelen nastreven. Interessant daarbij is, dat het ook tot een waarde bepaling van de concrete ruimte komt. Het netwerk heeft een zinvolle concrete ruimte nodig evenals de geleidelijke vorming van het netwerk met andere netwerken, die door moderne technologie mogelijk geworden zijn. De moderne “mythische “ruimte is dus interlokaal – en vormt hiermee ook Niet-plaatsen om te leven – en tegelijkertijd zijn ze lokaal, omdat de ontmoetingen op concrete plaatsen plaatsvinden.


Bronnen:

[1] Wheatley, Paul (1971): The Pivot of the Four Quarters. A preliminary Enquiry into the Origins and Character of the Ancient Chinese City. Chicago, Blz. 225vv.

[2] Cassirer, Ernst (1953, eerste uitgave 1925): Die Philosophie der Symbolische Formen. Deel 2: Das mythische Denken. Darmstadt. Blz.106

[3] Mircea Eliade (1984, eerste uitgave 1957): Das Heilige und das Profane. Frankfurt am Main, blz 23.

[4] Tucci, Giuseppe (1961): The Theory and Practice of the Mandala. Londen

[5] vgl Johann Wolfgang Goethe: West-östlicher Divan, Hoofstuk 10 Wiederfinden. “Und er sprach das Wort “Es werde!”/ Da erklang ein schmerzlich Ach! / Als das All mit Machtgebärde / In die Wirklichkeit zerbrach…”

[6] Gansser, Augusto; Gansser Ursula; Olschak, Blanche C. (1969): Bhutan. Land der verborgenen Schätze. Bern. Overgenomen van de omslag van het boek.

[7] Khanna, Madhu (1979): Yantra. The Tantric Symbol of Cosmic Unity. London. S. 75.

[8] Volwahlsen, Andreus (1968): Indië. Gebouwen van hindoeïsme, boeddhisme en jainisme. Freiburg. Bl.44

[9] Habermas, Jürgen (1968): Technik und Wissenschaft als „Ideologie“, Frankfurt. S. 69.

[10] Augé, Marc (1992): Non-Lieux. Introduction à une anthopologie de la surmodernité. Paris. Deutsch (1994): Orte und Nicht-Orte. Vorüberlegungen zu einer Ethnologie der Einsamkeit. Frankfurt. S. 94.

[11] Habermas, Jürgen (2001): Glauben und Wissen. Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2001. Frankfurt

 

back to home pdf share