experience

De oerbeleving van Robert Reininger

back to home pdf share

Een jonge man, 17 jaar oud, noteerde op 18-12-1886 in zijn dagboek:

(op de Pöstlingberg): wolkenloze hemel, boven mij de scheidende avondzon gekleed in roodachtig goud, voor mij, in overweldigende schoonheid, de vers besneeuwde toppen van de langgerekte Alpenketen en de denneboomgroene, welbekende rug van het, de stad insluitende hooggebergte, en verder weg, in een blauwachtig waas de onafzienbare vlakte […] Als met onweerstaanbaar geweld trok zijn gedachtenvlucht zich los van de nauwe banden van de zintuiglijkheid: mijn gehele wezen en denken zonk weg tot in de zelfverlorenheid in het eeuwige, almachtige denken van de godheid. Met onvermoede helderheid flitste een idee weer in mij op dat ik jarenlang kwijt was geweest, een idee van godheid, eeuwigheid en menselijke waarde.[1]

Deze ervaring op de “huisberg” van Linz (Oostenrijk) bepaalde het hele leven van de filosoof Robert Reininger. Hieruit groeide voor hem het kennen van zijn eigenlijke opdracht, namelijk dit grootse geheim met hulp van zijn filosofische begaafdheid aan de mensen mee te delen. Bij het tientallen jaren lang lesgeven aan de universiteit van Wenen (1913 tot februari 1940) spande hij zich bij zijn colleges steeds weer in om te wijzen op de enige werkelijkheid, de “oerbelevenis”, waarin alles altijd is in het nu, en deze te scheiden van de “realiteit”, de wereld van het ik, die wij scheppen door reflecteren, door ons gewone denken, en tenslotte door onze spraak. In de Upanishads van Indië en in de teksten van Helena P. Blavatsky, bij Meester Eckehart, Goethe, maar ook bij Schopenhauer en Nietzsche stootte hij op gelijksoortige kennis. Reininger noemt de “oerbeleving” ook het “primaire ik” , ofwel het “intelligibele ik” – naar Immanuel Kant, die hij hoogachtte; hij beschouwde zich zelf echter in feite slechts als een “Kantiaan onder voorwaarden”.

Op 22-9-1918 noteerde hij:

Het intelligibele ik kan zelf niet gelden als product van deze ontwikkeling, maar moet gedacht worden als tijdloos-zijnde, en zijn “evolutie” is alleen maar te beschouwen als een langzaam doorbreken van het licht door de duisternis: het intelligibele ik wórdt niet, nee het ontdekt zichzelf slechts! – en het groeit zowel uit het empirische [ik] als door zijn ethische bevestiging.[2]

 

Filosofie op basis van de mystieke ervaring

Reininger hield, als opvallende uitzondering onder zijn academische collega’s ook lezingen over Indische filosofie aan de universiteit van Wenen. Zelf onder de indruk van de boeddhistische ethiek van mede-lijden, met name met betrekking tot het gedrag tegenover dieren, was hij ook sterk geïnteresseerd in de Atman-Brahman-leer van de Oudindische Upanishads.

Hij trachtte, uitgaande van zijn mystieke ervaring, een filosofie te ontwikkelen die noodzakelijkerwijs bepaald werd door het verstand. Wel steunde hij op filosofen als Spinoza, Fichte, Schopenhauer en Nietzsche, dat wil zeggen op “idealisten”, maar hij zocht ook het compromis met de “empiristen” en “positivisten”, zoals bijvoorbeeld met de grondlegger van de “Wiener Kreis”: Moritz Schlick, die een collega van hem was aan de universiteit.

In Reiningers filosofische conceptie wordt duidelijk dat een integratie van een religieuze ervaring met het klassieke filosoferen van het Avondland normalerwijze niet kan lukken, want logica laat zich niet uit mystiek afleiden. Mystiek kan uitgangspunt zijn, of worden ingebed in rationaliteit zoals bij Spinoza, maar het verstandsweten is van een andere orde dan wijsheid. Het verstand is nuttig en belangrijk, maar het heeft zijn grenzen. Alleen met hulp van de intuïtie, het “denken uit het hart”, kan de scheiding worden opgeheven. Deze manier van “denken” is een omvattend verstaan, een spontaan begrijpen van dat wat is.

Reininger achtte, zoals reeds vermeld, de filosofie van de Nederlandse filosoof Baruch de Spinoza zeer hoog. Deze had een systeem afgeleid van de basisvooronderstelling dat God bestaat en dat de natuur één is met God, dat wil zeggen dat er niets is buiten God. De mens zou door toenemend inzicht zijn verstand kunnen zuiveren van de gebruikelijke verwarring door simpele meningen, en komen tot heldere ideeën en met hulp van de ware intuïtie uitgroeien tot de alles omvattende goddelijke liefde en tenslotte alles begrijpen.

 

Wat is werkelijk? Wat is waar?

Ook Reininger heeft in zijn leer de belangrijkste plaats ingeruimd voor de oerbelevenis. Hieruit ontwikkelt zich de wereld in een rationele opbouw van steeds hogere vormen van kennis, die echter allemaal slechts relatieve waarheden vertegenwoordigen en steeds vanuit een hoger standpunt achterhaald worden. Iedere “waarheid” is dus aanvankelijk “absoluut”, maar wordt al spoedig relatief. Reininger ontkent absolute waarheid eenvoudigweg. In de werkelijke wereld zijn er alleen maar relatieve waarheden, die ontstaan door de taal, maar de oerbelevenis is niet”waar”, zij is “werkelijk”. De realiteit van de wereld komt niet overeen met de werkelijkheid van de oerbelevenis.

Gewoonlijk zijn wij er stellig van overtuigd dat wij en de wereld “werkelijk” zijn, en dat wij weten wat “waar” is en wat “werkelijk”. Wij corrigeren “foute” uitspraken of oordelen, spreken van fouten. Wij geloven precies te kunnen aangeven wat de werkelijkheid is en wat niet werkelijk is, zoals bijvoorbeeld fantasieën of dromen. Mensen die “in hun eigen wereld leven”, leven niet in de “werkelijkheid”. Zij lijden onder “realiteitsverlies” – een gebruikelijke diagnose voor demente of psychisch zieke personen. In feite heeft echter ieder ik zijn eigen wereld en zijn eigen werkelijkheid. Vaak gaat het alleen maar om macht, hoe waarheid en werkelijkheid worden gedefinieerd. Het is een spel van illusies, maya. Het kan ook niet anders, want het ik zelf is slechts schijn. Wij kennen de werkelijkheid niet. Wij ervaren steeds nieuwe waarheden en bouwen onafgebroken aan het schijnbare en onzekere huis van onze werkelijkheid. Maar wij wensen ons absolute waarheid en een absolute werkelijkheid! Maar het ik kan die niet vinden. Want absolute waarheid en absolute werkelijkheid zijn iets heel anders, iets dat woont in het hart en dat de oorzaak is van ons verlangen naar eeuwigheid.

 

Het primaire en het secundaire ik

Voor Reininger is de oerbelevenis het bewustzijn dat alle bewuste ervaringen begeleidt, maar qua inhoud leeg is; het is het “primaire ik”. Het “secundaire ik” is de persoon die door voorstellingen, inclusief de eigen lichaamsvoorstellingen de wereld en zichzelf als identiek ervaart. Dit is alleen mogelijk op grond van een bijzonder fenomeen, dat Reininger “transcendentale ervaring” noemt. Zij vormt de brug naar de oerbelevenis. Deze uitzonderlijk zuivere ervaring is anders dan de fysiologische ervaringen. Alleen door deze ervaring kunnen wij “eenheid” beleven.

De mens die uit deze oerervaring leeft, is volgens Reninger de autonome mens, die geen speciale ethiek nodig heeft. Hij draagt de “adel” in zich en kan altijd “ja zeggen” tegen het momentele zijn, omdat hij het ware zelf kent.

Wat hem onder andere bewoog, was de vraag: hoe ontstond de vergissing van de werkelijkheid van de wereld, namelijk in die zin dat wij geloven dat zij werkelijk is? Dit leidt tot overwegingen als: Hoe ontstond uit de een de twee, of hoe ontstond uit het ene de veelheid en is de veelheid identiek met de eenheid of iets anders? Of: is de “zondeval” een val uit het paradijs in een andere, verdoemde, slechte wereld, of is het ervaren van de realiteit van het secundaire ik alleen maar een droom, waaruit wij moeten ontwaken, om te erkennen dat wij eigenlijk goddelijk en één zijn?

 

Metafysica van het zwijgen

Reininger vond geen antwoord op deze vraag en eindigde met een “metafysica van het zwijgen”, dat wil zeggen, metafysica zou zich ertoe moeten beperken:

de plaats aan te wijzen waar het laatste en diepste geheim verborgen ligt: in het oerbeleven van het nu. […] Filosofie eindigt in verbazing, het blijft het metafysische gevoel van het geheim. De grenzen van het rationele kennen kunnen niet doorbroken worden! [3]

De metafysische mens is zich van dit diepste mysterie, dat ieder belevingsmoment in zich bergt, sterk en voortdurend bewust. Hij leeft in de zekerheid temidden van het tijdelijke in het eeuwige te staan.

Voor Reininger was dit in de eigenlijke zin het metafysische ervaren.

In het menselijke hart, zo leren de Rozenkruisers, sluimert een element waardoor metafysische ervaringen mogelijk worden. Zij noemen het het “oeratoom”, de “rozenknop”. Als die ontwaakt, wordt het bewustzijn van de fundamentele eenheid geboren. Het kan aanvankelijk als slechts een vermoeden, als een zachte, lichte schemer kiemen en in de loop van het leven tot bloei komen als een “geurige roos”; of de mens wordt zich plotseling, in een “oerbelevenis” volkomen bewust van de goddelijke afkomst van zijn zelf. Dit geschenk der genade viel Robert Reininger ten deel, die zich tot aan zijn levenseinde daardoor gedragen wist en zijn intelligentie en zijn gaven inzette om met deze boodschap de mensen te dienen.


[1] Nawratil, Karl (1969): Robert Reininger. Leben – Wirken – Persönlichkeit, Wien: Verlag der Österreichischen Akademie der Wissenschaften (=Philosophisch-historische Klasse, Sitzungsberichte, 265. Bd.), S. 36

[2] Nawratil, Karl (Hrsg.) (1974), Robert Reininger. Jugendschriften 1885 – 1895 und Aphorismen 1894 – 1948, Wien: Verlag der Österreichischen Akademie der Wissenschaften (= Philosophisch-historische Klasse, Sitzungsberichte, 296. Bd.), S. 186

[3] Reininger, Robert (1948): Metaphysik der Wirklichkeit. Zweite, gänzlich neubearbeitete Auflage, Wien: Braumüller, 2 Bde., 2. Bd., S. 214

back to home pdf share