Druids oak

De spirituele ontwikkeling van de Keltische volksziel - Deel 4

back to home pdf share

(Naar deel 3)

Druïden

De Grieks-Romeinse historicus en geograaf Strabo (63 v.Chr.) die veel gereisd had en goed op de hoogte was, bericht dat er drie vormen van geestelijk leiderschap was  bij de Kelten. Ten eerste de druïden, ten tweede de barden en ten derde de vates.

Het woord ‘druïde’ is afgeleid van het Griekse woord ‘eik’ en de eik werd bij de druïden als heilige boom vereerd. Het Gaelische woord echter is ‘druidh’ en dat betekent een wijze man of een tovenaar. Beide betekenissen geven al aan dat de cultuur van de druïden  bijzonder te noemen was.

In het Grieks is eik ‘drus’. Vandaar dat sommige historici menen dat daar de naam ‘druïde’ van afkomstig is, omdat de eik de belangrijkste boom bij de Kelten was.

De verering van de  eik is gebaseerd op een legende. De eik was de eerste boom die geschapen werd en vanuit deze boom stond de mens op. Uit dit gegeven kunnen we een  vergelijking maken met het wortelvuur of het getal 1, dat boven en beneden verbindt. Uit zulk een verbinding zal eens de goddelijke mens opstaan.

Het feit dat de maretak die op de eik groeit nooit zijn bladeren verliest wijst op zijn eeuwigheidsduur van het zo genaamde wortelvuur: hij was, is en zal zijn. Het wortelvuur ontspringt vanuit het ruggenmerg en dient naar omhoog getrokken te worden.

Het verhaal dat Abraham de engel van Jehova ontving onder de takken van de eik wil zeggen dat zijn staat van bewustzijn in overeenstemming was met het heilige wortelvuur dat in zijn ruggenmerg ontsprongen was. Dat vuur reikte tot aan zijn hoofd, want Abraham ontving de engel onder de tákken van de eik.

Veel informatie over de Kelten geven de Romeinse schrijvers zoals Plinius en Julius Caesar.

Plinius zegt:

De druïden, zo worden de magiërs onder de Galliërs genoemd, hadden niets heiligers dan de mistel en de boom die hem droeg, namelijk de eik.  Slechts hierom kozen zij de eikenbossen en volvoerden geen enkele ritus zonder dat een tak van deze boom aanwezig was [1].

Daarom kunnen we nu beter begrijpen wat het voor de bevolking betekend moet hebben dat gehele eikenbossen werden verwoest. Het symbool van het geestvuur op aarde werd moedwillig door onwetenden vernield.

Tacitus [2] beschrijft hoezeer de druïden zich richtten tot het geloof en zich overgaven aan de wil van de priesters. Hij noemt zelfs een leider van de druïdische organisatie, namelijk Divicacius. Deze leidde de verdediging tegen de Romeinse invallen, niet gebaseerd op bloed en strijd, maar slecht door magie. Enorme eikenbossen werden toen verbrand uit angst voor de ‘demonen’ die erin huisden en natuurlijk opdat geen enkele druïde zich daarin kon verbergen.

Geringschattend wordt er wel over de druïden gesproken of zij slechts louter waarzeggers en fantasten waren, maar het tegendeel werd ook beweerd door Julius Ceasar. Deze had, alhoewel zij zijn vijanden waren, een groot respect  voor de oude Keltische druïden en schrijft (in De Bello Gallico [3]) dat de leerlingen van de druïden  een strenge scholing  beoefenden die soms wel twintig jaar duurde, aangezien niets opgeschreven werd. Alles werd uit het hoofd geleerd in de vorm van poëtische  triaden. Deze scholing ontvingen de leerlingen in grotten en diep in de wouden. De druïden waren oeroude Germaanse, en geschoolde ingewijden. In Engeland bleven zij bestaan tot in de tijd van koningin Elizabeth in de 16de eeuw.

Alles wat we in de Edda kunnen lezen over de oeroude Germaanse  sagen wereld gaat terug naar de wijsheid van de druïden. De dichter van de Edda was immers een druïde priester. De druïde priester sprak hoge waarheden uit en al waren deze eenvoudig, ze drongen diep in de menselijke ziel door. Deze vertellingen bouwden iets op in het menselijk systeem, zodat in een volgende incarnatie deze hogere waarheden begrepen werden, omdat zij in een vorige incarnatie voor geprepareerd waren.

Veel wat er in de Edda te lezen is gaat over leven en dood en berust op werkelijke gebeurtenissen die in de tijd van de oude druïden feitelijkheden waren. De Edda was in die tijd de allerhoogste en heiligste sage, maar werd door de tijd steeds meer gecorrumpeerd.

De druïden hadden dus in de eerste plaats de geestelijk leiding over het volk dat zij ook bestuurden. Zij werden beschouwd als de voorgeschreven tussenpersonen tussen God en  mens; niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder  de bijstand van een druïde.

In publieke en private aangelegenheden onderwierp men zich aan de   beslissing van de druïde. Het was een grote straf voor hen wanneer zij inde ban werden gedaan en het hun geweigerd werd deel te nemen aan de godsdienstige ceremoniën.

Ceasar meldt ons:

Zij die in de ban werden gedaan, omdat zij geweigerd hadden zich aan de beslissing van de druïden te onderwerpen, worden onder de laagsten en goddelozen gerekend. Iedereen ontvlucht hun gezelschap en vermijdt ieder gesprek uit angst door die nauwe aanraking besmet te worden [6].

Ceasar schrijft verder over de druïden dat zij hun toehoorders het volgende wilden laten geloven:

De zielen zijn onsterfelijk: zij gaan van de ene vorm op de andere over; zij zien dit als de sterkste prikkeling, want zij vrezen de dood niet. Zij hebben ook veel kennis over de sterren en hun bewegingen, over de afmeting van de aarde, over filosofie en over de machten van de onsterfelijke goden die zij bespreken met hun jonge leerlingen.

Het leek of Caesar werkelijk geïnteresseerd was in de Kelten, maar zijn interesse  had een speciale reden. Ondanks zijn respect voor de druïden had hij een politiek belang. Hij wist dat de Kelten zich afhankelijk opstelden ten opzichte van hun priester-druïden en hij wist wanneer hij de Kelten wilde vernietigen, hij bij de druïden zou moeten aanvangen: zij bezaten immers de sleutelposities!

In het noordelijk gedeelte van het Keltische Europa werden de geschoolde ingewijden ook ‘cerunnes’ (= hert)  genoemd. Hier kunnen we een verbinding zien met de godheid Cernunnos die op een hertencultus wijst. De oude Kelten vereerden nog meer dieren en wel: de hond, het hert en de stier die allen op de ketel van Gundestrup [4] te vinden zijn.

 

 

 

 

De ketel van Gundestrup

 

 

 

 

 

De decoraties op de ketel tonen Keltische godheden en rituelen en daarom denkt men dat hij bij druïdische religieuze plechtigheden werd gebruikt.

Op de ketel van Gundestrup, die vermoedelijk uit de La Tène periode stamt in de 2de of 1ste eeuw v.Chr.,  kunnen we een mens in meditatieve, zittende  houding zien met een uit het hoofd spruitend gewei van een hert. Dit kunnen we bekijken als een bepaald stadium van ontwikkeling van geestelijke verbondenheid met de kosmos. Ook zijn op deze ketel de verbinding met zon en maan waar te nemen en dit duidt weer op het feit dat de Kelten zich verwant hebben gevoeld met de oeroude zonnecultus die terug gaat naar de Hyperboreese cultuur.

(Wordt vervolgd in deel 5)

 

Bronnen:

[1] Plinius de Oudere, Naturalis Historia, Hoofdstuk 5

[2] Tacitus, Analen XIV

[3] J. Caesar, De Bello Gallico , Book VI (hoofdstukken 13‑19)

[4] De Gundestrup ketel is te zien in het nationaal museum van Denemarkenin Kopenhagen

[5] Jakob Streit, Sonne und Kreuz, Freies Geistesleben, Stuttgart 1977; Vertaling: Zon en kruis, Christofoor, Zeist 1980

[6] T.W. Rolleston, Myths and legends of the Celtic race, (first published 1911) Dover Publications, 1990; Vertaling: Keltische mythen en legenden, W.J.Thieme & Cie 1977

[7]  F.C.J.Los, De Oud-Ierse kerk, Ondergange en opstanding van het Keltendom, Vrij Geestesleven, Zeist 1975

 

back to home pdf share