Child

De Verpletterende Verantwoordelijkheid God te Zijn - Gezien vanuit het standpunt van een sterveling – Deel 1

back to home pdf share

Autonoom zijn is vrij zijn, is God zijn. Vrije denker, vrije schepper.

Zoals God wordt gezien vanuit het standpunt van een sterveling, een mens. In een gedurende vele incarnaties in de ziel ontwikkelde slachtofferpositie en een vrijwel totaal gevoel van menselijke onmacht. Die onmacht in een wereld waarin zowat alles kan gebeuren genereert een heel grote angst. De angst van het naar bewustzijn gescheiden zijn en daardoor voortdurend in mijn bestaan bedreigd. Tegelijk ben ik zo dubbel: ik verlang naar autonome vrijheid én ik wil onder de angst voor verantwoordelijkheid uit. Wat ontbreekt is geleefde eenheid, verbinding en het weten dat daarmee annex is.

Neem het gezichtspunt van de microkosmos. Hij heeft ooit zijn autonomie ingeruild voor de rijkdom van het wilde ervarende leven. Niet langer uit Gods gedachte leven maar uit de zelf voortgebrachte scheppende gedachten. Die zich dan reflecteren in een niet langer meer helemaal goddelijke realiteit. Een steeds tragere realiteit. Tot uiteindelijk in de materie zoals wij ze nu ervaren.

Dan is de microkosmos al zo ver van zijn vertrekpunt, zo diep in de ervaring gevallen, dat hij zijn eigen waarnemer, getuige, lichamen-set niet langer denkend kan scheppen, kan voortbrengen. Uit de materiële wereld worden de soorten ontwikkeld en uiteindelijk een protomens die in de microkosmos kan opgenomen worden. Er ontstaat tweeheid van mens-zijn: de mens wordt het instrument van de Mens. Dat is de idee, de gedachte. De mens kán het instrument worden, maar daarvoor moeten beiden worden geherstructureerd, geregenereerd, genezen, hersteld.

Zo’n microkosmos incarneert ofwel om weer van de oerschuld van zijn val tijdelijk verlost te zijn in het grote vergeten van deze incarnatie, ofwel om zijn oerschuld in te lossen en zijn autonomie te herwinnen. De oerschuld komt voort uit het scheppend denken buiten God. Al bestaat er natuurlijk niet echt iets buiten God.

Voor het simpele feit van de mogelijkheid tot incarnatie betaalt de microkosmos met een vrijwel totaal verlies van zijn residuele autonomie, zijn resterende macht. Hij geeft zich gevangen aan een menselijke conceptie, die leeft uit een gedeelde levensziel van twee mensenkinderen van verschillend geslacht. Gecompliceerde schepping! Stel je de emotie van dat verlies van vrijheid eens voor, telkens weer…

De microkosmos draagt zijn oerschuld en daarbij opgeteld de karmische schuld zoals de balans sindsdien is geëvolueerd: is de energie van de sterren gebruikt voor herstel of voor degeneratie? Dat karma sluit niet naadloos aan op de levensziel van het nieuwe concept, dat zich begint te ontwikkelen onder de dwingende invloeden van het bloed van de ouders – hun gedeelde levenszielen – en karmische bepaaldheid. Er is zero autonomie, geen vrijheid, geen macht. Het beginnend bewustzijn van het embryo en later van de baby staat zijn macht noodgedwongen af aan zijn schepper, de moeder.  Om te mogen leven. In dat leven zal het kind dan geleidelijk en stapsgewijs stukjes autonomie bevechten en op de opvoeders en de omgeving herwinnen. Daarbij spelen kinderziekten een heel mooie rol van ondersteuning door de omgeving (zie kader). De drang tot vrije zelfwording is heel groot en leidt tot psychologische situaties als de tiran-van-de-hoge-kinderstoel, op dat moment in de ontwikkeling van de mens een actuele en nodige machtsconcentratie.

We groeien op tot jongvolwassen, zelfstandig, vrij. Maar wel zoals ontwikkeld uit die eerste karmagedwongen periode van ons leven. Beperkt autonoom dus, met na de adolescentie een meer directe invloed van het karmisch pak van de microkosmos ten nadele van de bloedserfenis van de ouders. Waaruit de puberteitsconflicten voortvloeien. Met een individueel bewustzijn.

Jongvolwassen ruilen we een groot deel van de soms zwaar bevochten autonomie meteen weer in om geld te kunnen verdienen – nog zo’n schuldproduct – en te mogen leven. In één of een reeks van beroepen waarvoor we eerst zo’n twintig jaar hard gestudeerd hebben. In een studierichting die we voor ons achttiende kozen en waarin dus nog een flinke dosis bloedserfenis is verrekend. 

We hebben in ons gezin van oorsprong geleerd te laveren tussen persoonlijke autonomie en het inruilen van meer of minder daarvan om te mogen leven. Er is een voortdurend balanceren tussen ik en wij. We ontwikkelen de nodige mechanismen om daarin zoveel mogelijk binnen te halen voor ‘ik’. De basisdrijfveer in ons bloed is blijven leven. Dat streven delen we met alle leven op deze aarde. Machtsconcentratie en machtsdeling verhogen de overlevingskans. Concentratie van macht in mijn persoon vergroot mijn handelingsvrijheid en daarmee gelijklopend mijn verantwoordelijkheid voor elke gestelde daad. En mijn al dan niet bewuste angst voor die verantwoordelijkheid. Machtsdeling met anderen is een andere strategie.

Naargelang de cultuur waarin we opgroeien en leven ligt de balans tussen ik en wij op een ander punt. Europeanen zijn door de bank genomen meer ik dan Afrikanen, die meer uit het overlevings-wij denken en zijn. Zij staan meer autonomie af aan de grootfamilie, de stam, de natie. Zelfs als dat – karmisch – snoeihard wordt afgestraft in de voortdurende bloedige strijd tussen stammen of volkeren.

 

Wordt vervolgd in deel 2

back to home pdf share