abilities

Drie wonderbaarlijke vermogens - Deel 1

back to home pdf share

Vaak hebben wij het moeilijk met vragen zoals:

Wat zijn uw voornaamste vermogens, waar bent u goed in?

We denken dan aan iets wat ons ligt, waar wij talent voor hebben, zoals muzikaal talent of een sport. Of we associëren de vraag meteen met een soort sollicitatie en denken dan aan iets wat wij geleerd hebben of waarvoor wij opgeleid zijn.

In dit artikel willen wij kijken naar drie wonderbaarlijke vermogens die iedere mens heeft, maar waar we in het algemeen niet bij stilstaan. In zekere zin zijn het zelfs aspecten die wij niet aanzien voor vermogens, voor iets wat wij kunnen.

 

Het eerste wonderbaarlijke vermogen: vragen naar de zin van het leven

Het eerste vermogen is wonderbaarlijk omdat het ons reeds eigen is, of tenminste voor ons mogelijk is, als wij nog zeer jong zijn. De meeste vermogens die wij op een bepaald moment van ons leven hebben, hebben wij moeten ontwikkelen. Wij moesten iets leren, vaak in meerdere stappen, om dan op een bepaald moment iets te kunnen. De veters van onze schoenen strikken is zo’n voorbeeld.

Om zinvolle en eventueel vergaande vragen over een complex onderwerp te kunnen stellen, moeten wij normaliter eveneens eerst een bepaalde basiskennis opdoen, deze aanvullen met begrip over hoe het geleerde in het echte leven vorm aanneemt en dan een poging tot een intelligente vraag wagen. Daarom hebben alle opleidingen een theoriegedeelte en een praktijkgerelateerd gedeelte.

Maar een mens, ook een vrij jong mens, zoals een kind, heeft maar weinig informatie over de wereld nodig om vergaande vragen te kunnen formuleren over de wereld, het universum en de reden ervan.

Zo kan het ouders overkomen dat een kind behalve de oneindige ‘waarom’-vragen ineens een heel directe vraag heeft over waarom wij leven, wat leven eigenlijk is en waarom wij hier zijn. Zulke vragen kunnen wij al formuleren als we bij wijze van spreken nog niet eens veters kunnen strikken.

Als het nu echt zo was dat wij over alle complexe thema’s eerst stap voor stap kennis op moesten doen om een echt passende vraag te kunnen stellen, dan zou dit op jonge leeftijd eigenlijk niet mogelijk moeten zijn. Maar het is zo dat zinvragen in mensen opkomen, als het ware op komen borrelen en dat hiervoor niet veel nodig is. Het is voldoende ‘s avonds even rustig buiten te zitten en de sterrenhemel te bekijken en we kunnen haast niet anders dan ons afvragen hoe het allemaal in elkaar zit. Het zijn vragen die de omvang van onze gehele situatie willen begrijpen… als een mens in een universum met een aardbol vol (‘toevallig?’) leven.

We beschouwen dit in het algemeen niet als een vermogen dat we hebben. We zeggen niet tegen elkaar:

Wat knap dat we alleen met wat algemene informatie – of soms zelfs zomaar uit onszelf – diepzinnige vragen kunnen formuleren.

 

Het tweede wonderbaarlijke vermogen: te leven alsof wij nooit zullen sterven

Voor hier verder op in te gaan, willen wij nu eerst het tweede wonderbaarlijke vermogen aan u voorstellen: zo te leven alsof wij nooit zullen sterven. Dit als een vermogen te zien, lijkt wellicht onzinnig, maar we vinden verwijzingen naar de kansen die een duidelijker bewustzijn van onze vergankelijkheid inhoudt in verschillende heilige geschriften. Zo lezen wij in de Bijbel:

Leer ons zo onze dagen te tellen dat wijsheid ons hart vervult. [1]

In het Duits luidt deze psalm:

Lehre uns bedenken, daß wir sterben müssen, auf daß wir klug werden.

Beide formuleringen duiden aan dat de mens door een dieper besef van zijn vergankelijkheid vooruitgang zal boeken aan wijsheid of inzicht.

In het Indische Mahabharata-epos lezen wij in een gedeelte dat speelt aan het Meer des Doods als deel van de vraag-en-antwoord-dialoog tussen Yaksha en Yudhisthira [2]. Yaksha:

Maar nu komt mijn laatste vraag: wat is het wonderbaarlijkste in de wereld?

Yudhisthira dacht zorgvuldig na voordat hij deze laatste vraag beantwoordde. Hij wierp opnieuw een blik op zijn dode broers. Vol overtuiging zei hij:

Dag na dag gaan levende wezens het huis van de dood binnen. Niemand ontkomt hieraan, maar toch denken degenen die achterblijven dat ze niet zullen sterven. Kan er iets wonderbaarlijkers dan dit zijn?

Een dergelijke levenshouding aanhouden terwijl de vergankelijkheid van onszelf en alles om ons heen overduidelijk aanwezig is, is daadwerkelijk wonderbaarlijk – vooral als wij bedenken dat in het algemeen een leven gebaseerd op feitelijke gegevens binnen onze moderne maatschappij en ook in vele oude culturen als intelligent en wijs wordt beschouwd.

Als we nu proberen na te gaan wat de redenen zouden kunnen zijn dat we als mens niet veel aandacht geven aan onze eigen vergankelijkheid of aan zinvragen die van binnenuit omhoog borrelen, dan komen er twee aspecten naar voren die dit zouden kunnen verklaren.

Het eerste aspect is dat het antwoord op de vraag naar de zin van ons bestaan niet makkelijk lijkt, gezien het feit dat bijvoorbeeld ook de beste wetenschappers er niet uit lijken te komen. Dan komt er nog bij dat we ons eigen vermogen om naar antwoorden te zoeken misschien als onvoldoende inschatten. Onze motivatie om er toch mee aan de slag te gaan, is dan niet al te hoog. Als dan de taken van alledag weer onze aandacht vragen, komen wij snel weer in ons ‘normale’ levensritme terecht, waarbij wij gewoon vooruit moeten en niet stil kunnen staan bij gedachten aan onze vergankelijkheid.

Een andere reactie die veel mensen ondergaan, is somberheid bij de gedachte hoe onwaarschijnlijk het lijkt dat er antwoorden te vinden zijn op zinvragen. Het kan ook zover gaan dat we dan juist niet meer ‘normaal’ of zoals voorheen voort kunnen gaan met ons leven en alle taken en sociale relaties. Ouders geven om die redenen ook regelmatig het advies aan hun kinderen niet te veel bij vragen naar de zin van het leven stil te staan

…omdat je  toch niet op een antwoord mag hopen.

Een vervolgprobleem kan dan zijn dat we in een sociale paradox terechtkomen. Terwijl ieder mens zulke vragen kan begrijpen, worden wij voorzichtig om het thema aan te snijden omdat steeds weer blijkt dat anderen het als een onwenselijk gespreksonderwerp zien. Als we toch een gesprek zouden willen met iemand kan het gebeuren dat we de opvatting tegenkomen

dat alles toch uiteindelijk toevallig is ontstaan en het daarom niet verstandig is om er te veel over na te denken.

 

(Wordt vervolgd in deel 2)


Bronnen:

[1] Psalm 90:12

[2] Het meer des doods

Mahabarata, een omvangrijk religieus en filosofische epos, SA Uitgeverij

back to home pdf share