Adam

Een andere kijk op Adams appel - Deel 1

back to home pdf share

Wie een appel dwars doorsnijdt, vindt in het midden het symbool van de nieuwe mens: een vijfpuntige ster. ‘Dwarse denkers’ leggen vaak de basis voor nieuwe ontwikkelingen. In 1988 kwam Elaine Pagels, in haar boek Adam, Eva en de slang [1] met een voor vele lezers verrassende kijk op het paradijsverhaal, waarbij de betekenis en de uitkomst van de ‘fatale hap van de appel’ totaal werd omgekeerd. Dat bracht beroering in theologische kringen. Daarna werd het een tijdlang stil.

 

Adam's apple

 

Zoals altijd met gesluierde verhalen, is er ook in het Bijbelverhaal over het verdrijven van Adam en Eva uit de Hof van Eden sprake van veel lagen. Misschien is dat wat er oppervlakkig uitziet als een straf, in diepste wezen een zegen. Wij zijn zo gewend aan de bekende interpretatie van dit verhaal, dat we met een schok rechtop gaan zitten wanneer er een andere uitleg aan wordt gegeven. Als ons bewustzijn ruimte heeft voor een andere benadering en we niet meer geheel opgaan in het leven van deze natuur, geen puur-natuurmens meer zijn, dan krijgt het verhaal opeens een totaal andere wending. Dan ‘eten wij de appel’.

De Bijbel is, in dat perspectief, geschreven voor mensen die het pad terug willen gaan, terug naar die andere, oorspronkelijke wereld. Als we de Bijbel vanuit het standpunt van de ziel bekijken, beseffen we dat al die verhalen wijzen op processen die zich in en aan de mens kunnen voordoen. Dat wil zeggen dat al die verhalen voor ons ineens heel erg actueel worden. Een heel erg ‘nu’-gehalte krijgen.

We zien dan het volgende: Adam en Eva leefden in een paradijs. Gelukkig. Een met de natuur. Zonder zich zorgen te hoeven maken. Maar nu kunnen we Adam en Eva zien als aspecten van ons mens-zijn die in het nu, in de hedendaagse persoonlijkheid hun invloed doen gelden.

Adam vertegenwoordigt het mannelijke, het scheppende principe, het verwekkende principe en Eva het vrouwelijke, het voortbrengende, het resulterende, het openbarende principe. Nu gaan we opeens niet meer uit van de paar mensen in het verre verleden, maar van het mannelijke en het vrouwelijke in onszelf. Eva is dus, binnen de persoonlijkheid, afhankelijk van Adam om nieuwe inzichten voort te kunnen brengen. Eva dient dus bevrucht te worden door Adam, het voortbrengende principe dient te worden bevrucht door het scheppende principe. Als we het mannelijke zien als het hoofd, en het vrouwelijke als het hart, dan dient dus het hart het hoofd aan te porren om anders te gaan denken. Eva ‘verleidt’ Adam tot het eten van de appel.

Het is dus heel logisch dat Eva het initiatief nam in het paradijsverhaal om Adam van de boom van kennis van goed en kwaad te laten eten, dat het vrouwelijke aspect in de mens voorgaat, een stimulans geeft aan het mannelijke aspect om zich te richten op iets wat tot dan toe onbekend is. Daarom wordt er ook zo de nadruk gelegd om uit het hart te gaan leven en een wachter bij het denken te plaatsen.

Eva werd, op haar beurt, volgens het verhaal, daartoe aangespoord door de slang, het symbool voor het bewustzijn. Wat voor nut had het voor het bewustzijn om Adam te laten eten van de appels? Zelfverheerlijking? Vereniging met het luciferische lichtbeginsel? Of zelfbescherming? Voor de mens op andere gedachten kan komen (Adams functie), moet er een bewustzijnsverandering optreden. De werkzame geestvonk, verantwoordelijk voor die verandering, is al lang voor het eten van de appel werkzaam om die bewustzijnsverandering door te voeren. Het natuurbewustzijn ervaart dat er een verandering optreedt en zal natuurwetmatig haar invloed doen gelden. Zij zal de persoonlijkheid proberen te verleiden tot het zich openstellen voor háár verheerlijking, voor de verheerlijking van het ‘ik’. Dit is weer zo’n geval dat wat heel verkeerd lijkt, een vermomde zegen blijkt te zijn.

Ergens van eten kun je vergelijken met ‘het in zich opnemen.’ Toen Adam van de appel at, nam hij de symboliek van de appel in zich op. De appel staat in deze context symbolisch voor de microkosmos. Adam werd er zich van bewust meer te zijn dan alleen maar een natuurlijk wezen, meer te zijn dan alleen maar vlees en bloed. Dat men niet alleen leeft om te sterven; dat er iets moet zijn waarvan hij zich tot nu toe volkomen onbewust was. Hij (de mens, dus ook: zij) wordt zich steeds meer bewust van de verschillende invloeden die in hem optreden.

Hermes zegt dat er ooit een onbewustheid tussen God en mens is gekomen. Een onbewustheid van het goddelijke. Wanneer men onbewust is van het goddelijke kan men ook niet treuren om het verloren goddelijke. Dan leeft men in een paradijselijke onwetendheid. Dan klinkt de uitspraak: ze waren heel ongelukkig maar ze wisten het niet, heel plausibel.

En dan, door het eten van de appel, verandert alles. Ineens voelt men zich bekleed met rokken van vellen. Bekleed met een vlezige substantie. Incarnatie: in het vlees. Tot dat besef komen is een dramatisch gebeuren in het leven van een mens. Men wordt zich dus bewust van de tweevoudigheid van de mens en wordt op die manier verdreven uit het aards paradijs, precies door de bewustwording van de toestand van zijn. Het was weliswaar geen paradijs waar je altijd maar gelukkig was, maar je dacht dat het goed was, of dat het bezig was steeds beter te worden. Je ogen waren nog niet opengegaan.

Nu zie je opeens veel meer. Het is alsof het licht is aangegaan in de kelder en opeens blijkt wat daar allemaal huist. Het aards paradijs is ineens geen paradijs meer maar een oord waar alleen geleefd kan worden ten koste van anderen. Men kan hier alleen leven door te doden. Als ik adem, sterft de lucht!

Maar dat is niet het enige gevolg, want tegelijk is er iets in ons wat om aandacht vraagt. Iets onbepaalds, wat beantwoordt aan die nieuwe visie. En dat is het begin van een zoektocht die vaak jaren in beslag neemt. Je kunt van je stuk raken, je voelen alsof je in een niemandsland woont.

Een terugkeer naar het vroegere aards paradijs waar je in gelukkige onwetendheid verkeerde, is niet mogelijk, juist omwille van het zich bewust worden van het andere. Want het licht in jezelf is ook aangegaan. Als je eenmaal weet dat het fout zit, zul je de fout moeten opheffen of ermee moeten leren leven. Je kunt echter nooit meer in de onbewustheid terugkeren, al kan je natuurlijk wel doen alsof er niks aan de hand is. De stille roep van het andere negeren; de stille roep inkapselen door sterk bezig te zijn met andere dingen. Maar steeds weer zal dat andere, het bewustzijn van dat andere, in stille momenten boven komen drijven.

In het boek De burcht van de vrede, van Karel Wellinghoff [2], wordt dit als volgt omschreven:

Wie deze wereld heeft leren zien als een schaduw van de geestelijke wereld kan zijn bewustzijn niet meer tot het schaduwenrijk beperken.

Het paradijsverhaal vertelt verder dat er een wachter voor het paradijs geplaatst werd met een vlammend zwaard om de terugkeer van de mens naar het paradijs te verhinderen. Het vreemde daarbij is dat de mens zichzelf uit het paradijs, uit de onbewustheid had gestoten. In feite was er dus geen wachter nodig. Waarom was er die wachter dan wel? Welke doorgang bewaakte die wachter?

Niet de toegang tot het aards paradijs, want de mens had net doorgekregen dat dit paradijs toch niet zo paradijselijk was. Misschien dan wachter bij de toegangspoort tot een ander paradijs?

Een wachter kan iemand zijn die een toegang, een doorgang, bewaakt ter verhindering tot binnenkomen. Denk daarbij aan de bruiloftszaal uit het verhaal van Christiaan Rozenkruis, waar alleen diegenen binnen mogen die de geschikte kledij dragen. Draagt men die geschikte kledij, dan krijgt de wachter een andere functie. Hij wordt een vertegenwoordiger van de gastheer en geeft bovendien in dit verhaal het vlammende zwaard cadeau aan de bezoeker. Het vlammende zwaard als symbool van de nieuwe geestziel. Hij die was, die is en die komen zal. Een geschenk dat we waardig zullen moeten dragen.

Wat leert ons dit alles? In eerste instantie dat niets is wat het lijkt te zijn. Dat we meer geïndoctrineerd zijn dan we zelf beseffen. En om bij de kern van het verhaal te blijven: dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet deelachtig kunnen worden. Dat de Adam en de Eva in ons, na de geboorte van de zoeker, kunnen transformeren tot Zacharias en Elisabeth en na de geboorte van Johannes tot Jozef en Maria met de Jezusgeboorte als gevolg om dan te her-transformeren, met als slotfase de realisatie van de Christus. De zoeker, de voorloper, de voltrekker en de opgaande.

Maar in eerste instantie is nodig dat Adam, daarin aangespoord door Eva, de appel tot zich neemt om zo de persoonlijkheid tot het besef te laten komen dat hij of zij opgenomen is in een microkosmos. En dat ze naakt zijn, beroofd van hun stralende lichtkleed.

 

Wordt vervolgd in deel 2


Bronnen:

[1] Elaine Pagels, Adam, Eva en de slang - Kosmos 1989

[2] Karel Wellinghoff, De burcht van de vrede, Montesegur: de ondergang van de wederopstanding van de katharen, Aspekt 2011

back to home pdf share