astronomy

Glanzende donkerte

back to home pdf share

Een nachtelijke ervaring

Het is ver na middernacht. Ik lig weer eens een keer wakker. Net als zo vaak in deze slapeloze nachten lig ik maar en kijk door het open dakraam naar de hemel; vaak zijn er sterren te zien, maar vannacht niet.

Altijd zoek ik iets, ik wil me helemaal onderdompelen in de nacht, me er helemaal aan overgeven. Ik probeer te zien in de ruimte achter de sterren. Waar ben Je? Hoor je mij, Geliefde?

Maar er komt nooit een antwoord; er is altijd alleen maar één stil, donker niets. Ik voel me verloren in de lege ruimte, ingesloten in een vacuüm. Alleen ik schijn er te zijn. Ik voel mijn lichaam, maar er moet nog iets anders zijn behalve ikzelf, denk ik. Vaak weet ik het zeker dat het er is, vaak ook twijfel ik eraan. Er bestaat gewoonweg geen zekerheid, nergens; in deze donkerte bestaat überhaupt niets, alleen ik schijn er te zijn.

Vaak, in deze slapeloze nachten, overvalt me een onbestemde angst, maar nu niet. Ik ervaar mijn adem, hoe hij langzaam, ritmisch in- en uitstroomt. Op de een of andere manier verwondert het me dat ik in dit vacuüm kan ademen. En nog steeds, altijd, zoek ik jou, Geliefde. Ik peil de zwarte nacht. Waar ben je?

 

De donkerheid van de kosmos begint te lichten

Het vacuüm opent zich. Mijn ogen (mijn innerlijke ogen) ervaren het: de donkerheid van de kosmos geeft licht. Ze is vol energie, als een oneindige ruimte van elektriciteit. Ik zie niet alleen, een kostelijke, reukloze frisheid (ik denk aan een morgenstond in het voorjaar), waait door mij heen. Het is zuivere energie; het is de reine liefde. Iets wil geboren worden. Het heeft geen verleden. Het schijnt de bron van de schepping te zijn. Het eeuwige begin. Een geboorteschoot. Ik voel mij ondergedoken in een gouden, onzichtbaar licht, in liefde. Mijn innerlijke zintuigen schijnen grenzeloos open te staan. Ik ‘ruik’ energie. Ik zie het overal schitteren, fonkelen en lichten. Als een frisse wind stroomt energie door alles heen. Het begrip ‘de adem Gods’ komt in mij op. Iets wil zich openbaren, iets wil ontwaken. Zilverglanzende energievonken springen chaotisch rond in de duisternis, ik denk aan het woord ‘oorsprong’.

 

LOGON vond de volgende passage in het boek van Eben Alexander[1]:

Ik bleef vooruitgaan en merkte dat ik een immense leegte binnenging, volkomen donker, oneindig groot, maar ook oneindig geruststellend. Hoe pikzwart het ook was, het was ook vol licht: een licht dat leek te komen van een schitterende bol die ik nu bij me in de buurt voelde. […]

Mijn situatie was, vreemd genoeg, vergelijkbaar met die van een foetus in een baarmoeder.

De foetus drijft in de baarmoeder met de stille partner van de placenta, die haar voedt en haar relatie met de alom aanwezige maar tegelijkertijd onzichtbare moeder bemiddelt.

In dit geval was de "moeder" God, de Schepper, de Bron die verantwoordelijk is voor het maken van het universum en alles erin.

Dit Wezen was zo dichtbij dat er helemaal geen afstand leek te bestaan ​​tussen God en mijzelf. Maar tegelijkertijd kon ik de oneindige uitgestrektheid van de Schepper voelen, kon ik in vergelijking daarmee zien hoe volkomen minuscuul ik was. […]

Het was alsof ik in een grotere wereld werd geboren, en het universum zelf was als een gigantische kosmische baarmoeder.

Eben Alexander citeert de Engelse dichter Henry Vaughan (17e eeuw):

Er is, zeggen sommigen, in God een diepe maar oogverblindende duisternis ...

 


[1] Eben Alexander, Proof of Heaven. A Neurosurgeon’s Journey into the Afterlife, 2012 (p.47)

back to home pdf share