light and darkness (2)

Goed en kwaad – en daar bovenuit - Deel 2

back to home pdf share

Terug naar deel 1.

Over de functie van het kwaad

Hierover als voorbeeld het boek Job in het Oude Testament. Daar wordt beschreven dat de tegenstander van God zich in Gods gezelschap bevindt. De tegenstander vertegenwoordigt de tendens om zich van het absolute te bevrijden en in de relatieve wereld zelfstandigheid, onafhankelijkheid van God te zoeken. Dus vraagt hij God dienovereenkomstig: Mag ik Job, uw trouwste dienaar, van u vervreemden? God veroorlooft het hem om de levensomstandigheden van Job te verstoren en Job aan de vreselijkste teisteringen bloot te stellen. Alles wordt hem afgenomen, geld en goederen, zijn familie, zijn gezondheid. Maar Job houdt vast aan zijn geloof aan God. Hij wendt zich niet af van het absolute, maar houdt eraan vast en onderwerpt zich eraan, hij neemt zijn noodlot op zich. En wat gebeurt er? Hij groeit boven zichzelf uit. Hij groeit boven de relatieve levenswerkelijkheid uit. Zijn centrale goddelijke identiteit ontwaakt in hem; zijn ware zelf, dat wortelt in het absolute, geeft hem de noodzakelijke kracht.

Ook de leer van karma en reïncarnatie is gerelateerd aan de maatstaf van het absolute. Karma is alleen verklaarbaar uit de betrekking van de mens tot het absolute. Daartoe is het voorbestemd dat een mens in zijn leven in bepaalde situaties belandt, dat hij bijvoorbeeld bepaalde ontmoetingen heeft. Veel goeds en veel kwaads komt er in ons leven. Ieder mens moet de resultaten van gedrag in het verleden ervaren, van gedrag dat bepaald werd door eigenwilligheid, waarbij dus het goddelijke niet heeft meegewerkt. De resultaten daarvan blijven in de wereld en moeten verwerkt worden. Of dit gebeurt en hoe, is de vrije beslissing van ieder mens. Als een mens beslist al zijn doen en laten te wijden aan het goddelijke, dan bevrijdt dit hem van de ketenen van karma (Bhagavad-Gita 5, 10; 12,6 e.v.)

Het kwaad, in een hoger licht gezien

Vanuit het gezichtspunt van onze levenswerkelijkheid kan men niet precies zeggen wat het kwaad is. Vanuit het gezichtspunt van het absolute kan het helder geformuleerd worden.

Het Corpus Hermeticum, een verzameling teksten uit het begin van onze jaartelling, bestaande uit Egyptische, Griekse en Joodse wijsheidsleringen, verklaart:

De boosheid van de ziel is haar onwetendheid, haar gebrek aan kennis die uit God is

CH 12e boek, vers 24

en op een andere plaats:

De grote ziekte van de ziel is haar verloochening van God.

CH 13e boek, vers 7

En wij vinden de oproep:

Keer in in uzelf en het zal komen.

Ch 14e boek, vers 25

“het” is het alleen-goede [1].

Het absolute niet te kennen, betekent tegelijkertijd zichzelf niet te kennen; zijn diepste zelf, dat in het absolute rust, te verloochenen. Zolang dat het geval is, vinden alle levensverrichtingen buiten de goddelijke werkzaamheid plaats en laten gevolgen achter die ergens ooit geneutraliseerd moeten worden.

De Chinese wijsheid zegt in de Tao-te-King:

Wie het eeuwige niet kent, veroorzaakt zinloos onheil.

Hoofdstuk 16  [2]

Waarom de mens wordt overgelaten aan het relatieve

Onze huidige tijd wordt daardoor gekenmerkt dat de meeste mensen zich van het goddelijke hebben afgewend. Wij hebben een ik verworven en proberen zelfstandig te zijn. Omdat we de energiestroom naar het absolute, die in ons eigen midden is, onderbroken hebben, staan we in de invloedssfeer van een andere stroom, de stroom van het aardse leven. Daaruit stammen onze ik-aspecten. Zo vormt zich sluier na sluier tussen ons en onze oorsprong. Maar ook dit afgescheiden bestaan kent een grote opdracht.

Laten we een blik slaan op de veda’s, de oudste religie die heden ten dage nog bestaat en die een soort renaissance beleeft. Wij lezen daar dat onze wereld werd geschapen om de geesten die zich van God afgewend hebben, een mogelijkheid te geven tot een nieuw opstijgen naar het goddelijke. [3] Daartoe dient ons lichaam en daartoe dienen de natuurrijken waaruit het ontstaan is. De veda’s beschrijven dat onder onze wereld nog meer werelden bestaan. Werelden van demonische aard. [4] De geesten daaruit dringen binnen in de gedachten en gevoelens van de mensen. Of zij beheersen de mens, wat meestal het geval is, of hij kan ervan verlost worden, indien hij zich opnieuw met het absolute verbindt. Hieruit blijkt dat er voor de mens een nog meer omvattende opdracht bestaat dan we tot nu toe hebben aangeduid.

De leer van de veda’s spreekt over verschillende wereldtijdperken. Wij bevinden ons nu in het Kali Yuga, de donkere tijd, die ongeveer 5000 jaar geleden begonnen is. Deze tijd leidt ertoe dat het afwenden van het goddelijke licht totaal wordt. Zij gaat zover, dat de materie in de plaats komt van het goddelijk-geestelijke. De mens krijgt het idee dat hij ontstaan is uit een spel van materiedeeltjes. Daarmee is iedere zin van het bestaan verdwenen. Deze situatie moet hij doorleven, hierin moet hij zijn falen ervaren, om uiteindelijk zichzelf te vinden.

In de mystiek van het jodendom, de kabbala, wordt benadrukt dat de godheid een dergelijke ontwikkeling toelaat. Wij vinden hier de uitspraak dat God steeds weer ruimte schept en zich terugtrekt, opdat de schepselen tot zichzelf kunnen geraken, tot hun ware zelf. [5] God respecteert de vrijheid van zijn schepselen. Hij levert ze in een bepaald opzicht aan henzelf uit. Alles wat zij doen, slaat op hun terug. Totdat de sluiers, die hun blik op het absolute belemmeren, vaneengescheurd worden.

Ook het Nieuwe Testament bevestigt deze zienswijze. Jezus is door de doop in de Jordaan tot Christus geworden, en onmiddellijk daarna treedt de heer van deze wereld op hem toe. De beiden spreken met elkaar. De tegenstander dringt erop aan dat Jezus, de Christus, de stenen van deze wereld in brood verandert. De wereld zou daardoor, van onderen op, in een betere toestand geraken. Het leed zou van de mens afgenomen worden. Maar Jezus gaat niet in op deze uitnodiging. Want de mens zou dan niet zichzelf vinden. Alleen na de ervaring van een fundamenteel falen wordt de juiste verhouding tot het absolute gevonden. Daarom verwijst Jezus op de noodzaak van een wedergeboorte, doordat hij de tegenstander wijst op het scheppende goddelijke woord. [6]

Goethes Faust staat voor de mens van de moderne tijd. Net als vroeger, bij Job, bevindt de tegenstander zich in het gezelschap van God.

Van tijd tot tijd zie ik de oude graag,

zegt Mefisto. Hij is de tegenstander, maar hij is van een andere soort dan bij Job. De mens heeft zich verder in het relatieve ontwikkeld, is tot een denkend wezen geworden met een zelfstandig ik. Mefisto spreekt met God over Faust en zij sluiten een verbond.

Trek deze geest af van zijn oerbron,

luidt de opdracht aan Mefissto, en het wordt hem voorspeld [7]:

Een goed mens is zich, in zijn duistere drang, wel bewust van de rechte weg.

De oerbron, het innerlijkste van de mens, dat wat in verbinding staat met het absolute, het goddelijke element, ontwaakt tenslotte ook in Faust. Eerst wil hij er op eigen kracht uitkomen,

wat de wereld in het innerlijkste bij elkaar houdt.

Onvermijdelijk faalt hij daarbij, ondanks alle magie van het ego en van het menselijke verleden en ondanks de hulp van Mefisto. Faust geraakt, als alle zoekende mensen, aan een nulpunt, waarop hij niet meer verder kan, waarop de oude levenspatronen en de totale eigenzinnigheid ineenstorten.

Nu kan hij door het absolute aangeraakt en geleid worden. In de afsluitende verzen van Faust staat een belangrijke en bevrijdende erkenning:

Al het vergankelijke is slechts een gelijkenis.

De hele relatieve wereld met al haar bewustzijnstoestanden is symbool voor een hogere werkelijkheid, waarin de wezens zich bewust verenigen met het absolute.

Weer naar deze verbinding gaan zoeken, dat is onze opdracht. Die leidt tot verandering, tot transfiguratie, zoals de rozenkruisers het noemen. Aan de hand van het absolute, van het goddelijke in ons, is het mogelijk boven goed en kwaad uit te groeien, boven deze wereld uit te groeien … en pas daardoor zegenrijk in de wereld te werken.

Bronnen:

[1] De citaten zijn ontleend aan: J. van Rijckenborgh, De Egyptische Oergnosis en haar roep in het eeuwige nu, 3e en 4e deel.

[2] Lao Tse, Tao-Te-King

[3] Armin Risi, Gott und die Götter, Neuhausen, Altenburg, 5e druk 2002, blz. 90

[4] Armin Risi, blz. 91

[5] Meer hierover bij Gershom Scholem, Die jüdische Mystik in ihren Hauptströmungen. Frankfurt am Main 1980, blz. 285 e.v. (Die Lehre vom Zimzum, der Selbsteinschränkung Gottes)

[6] Matth. 4:3 e.v.

[7] Goethe, Faust, Prolog im Himmel.

back to home pdf share