Hermes

Hermes, de Graal en het Christelijke Rozenkruis

back to home pdf share

Er bestaat een grote troost voor allen, in wie de geestelijke drang intensief aanwezig is: een energetisch brandpunt, waartoe rijpe zielen zich kunnen verheffen - door de woorden van Hermes in het Corpus Hermeticum.

Waar kan ik dat vinden?

Waar moet ik naartoe?

Om tot rust te komen, moet je nergens naartoe. We hoeven ons niets voor te stellen en hoeven niets te verwachten.

Het enige wat belangrijk is, is de rijpheid van de ziel. Naar haar impulsen kunnen we luisteren.

De graal werd in het verleden vaak als een schaal of beker voorgesteld. In onze hedendaagse taal kunnen we zeggen, het is een energetisch brandpunt, dat zich overal kan vormen, waar we ons ook bevinden.

In de menselijke ziel is een geestvonk aanwezig en deze wordt door de universele geest aangetrokken. De ziel, die hierdoor ontwaakt, wordt deelgenoot van een hoger spiritueel bewustzijn. Haar ontwaken en ervaren brengt een geestelijke energie aan het stromen, een geestelijke voeding. Zij verzadigt diegenen, die er naar verlangen. Het is een heel andere krachtwerkzaamheid dan, die die we tot nu toe kennen. Het brandpunt, dat zich bij deze ervaring vormt, kan nooit meer uitgeschakeld worden. En ook kan niemand deze spirituele stroom ooit laten opdrogen.

Diegenen, die daar in duiken, worden bewoners van een onzichtbaar geestelijk huis, en “burcht”, en ze helpen mee dit brandpunt, dat zich verbindt met gelijksoortige energieën, te vergroten en te versterken.

Daarin bestaat het werk van de geestelijke zielen. Wij, als gewone persoonlijkheden, vormen een soort bodem, waarop deze vrucht, dit zielegebeuren, kan rijpen.

Het onzichtbare huis lijkt op een kelk, waarover de graalsages spreken. Door ons is het mogelijk dat deze kelk dieper en dieper in de materie afdaalt. Hierin werkt een verlangen van de geest. Mochten de ontelbare scharen maar uit deze kelk kunnen drinken.

Hier volgt een passage uit het boek Corpus Hermeticum, een gedeelte van een gesprek tussen Hermes (de leraar) en Tat (de leerling).

HERMES: God heeft dus, Tat, het verstand aan álle mensen toebedeeld; niet echter de Geest! […]

TAT: Waarom, o Vader, heeft God de Geest niet aan álle mensen toebedeeld?

HERMES: Hij heeft gewild, mijn zoon, dat de Geestbinding binnen het bereik van alle zielen, als prijs voor de wedloop zou worden gesteld.

TAT: En waar heeft Hij deze dan gesteld?

HERMES: Hij heeft een grote Crater, met de krachten van de Geest gevuld, omlaag gezonden, en een Boodschapper geschonken met de opdracht aan de harten van de mensen te verkondigen: “Dompelt u onder in deze Crater, jullie zielen, die dit kunnen; jullie, die geloven en vertrouwen dat jullie zullen opstijgen tot Hem die dit Mengvat omlaag gezonden heeft; jullie die weten tot welk doel jullie geschapen zijn.”

Dit , o Tat, het openbaar-worden van de Geestziel, het gestalte-krijgen van de goddelijke dingen, en de aanschouwing van God, zijn de gaven van de Crater, het goddelijke Mengvat1.

Een soortgelijk opstijgen beleefde Christaan Rozenkruis, toen hij droomde, met het “zesde touw” (één van de zeven touwen) opgetrokken te worden uit de donkere toren die onderin gevuld was met een menigte naar bevrijding verlangende mensen. Hij bevindt zich in de droom op een wat hoger liggende steen, langs de muur van de toren, als het slingerende touw in zijn buurt komt. Hij aarzelt niet, grijpt het touw en laat zich naar boven trekken. Daar aangekomen, stelt hij vast, dat hij een wond aan zijn hoofd heeft. Samen met de andere geredden werkt hij mee om nog zoveel mogelijk mensen uit de toren omhoog te trekken.

Jan van Rijckenborgh becommentarieert deze passage uit de Alchemische Bruiloft van Christaan Rozenkruis met de volgende woorden:

Het touw moeten we zien als een magnetische krachtlijn, een magnetische krachtstroom, met behulp waarvan het werk verricht wordt….

Er zijn zeven verschillende impulsen van de broederschap (de bevrijde zielen) om de mensen aan te spreken… Er zijn daarom over de gehele wereld verdeeld zeven verschillende geestesscholen…

De zeven touwen worden niet tegelijkertijd naar beneden gelaten. De zeven verschillende magnetische krachtlijnen worden procesmatig na elkaar in werking gesteld, om een goede keus en een juiste ontwikkeling mogelijk te maken. Dat wordt duidelijk door de mededeling, dat Christiaan Rozenkruis pas het “zesde touw” te pakken kon krijgen, “omdat hij op een steen langs de muur van de kerker stond”, dat betekent, dat hij in de kracht Christi en door de Heilige Geest uit de kerker kon worden getrokken, door de onverschrokkenheid van zijn doelbewuste streven.

Als hij door het nieuwe magnetische licht van de Geesteschool in het hart getroffen wordt, en, zoals Christiaan Rozenkruis, behoort tot de “zesde bloedgroep” – dat is een groep, waarin liefde voor de mensheid en naastenliefde in het middelpunt staan – betekent zo’n “wond aan het hoofd” een vrijmaking van de normale dialectische krachtlijnen2.

De wet, dat gelijk het gelijke aantrekt, wordt hierbij ook duidelijk. Het in de mens verborgen geestelijke element wordt opgetrokken tot de Geest, die in de hele kosmos werkzaam is en waaruit het Goddelijk-Geestelijke voortkomt. Het verborgene wordt voor het Geest-Zielewezen waarneembaar, als het zich tot rijpheid ontwikkelt.

Men vindt een grote troost in de verhalen van Hermes, van de Graal en van het Christelijke Rozenkruis.

Ze getuigen van een wet, die zowel in de natuurkunde als in de metafysica geldig is. Deze wet van het gelijke dat het gelijke aantrekt, wordt bewezen ten aanzien van diegenen, bij wie het innerlijk volharden en de geestelijke drang een dermate intensiteit bereiken, dat nieuwe perspectieven, nieuwe horizonten en nieuwe dimensies zich openen.

Illustration:nilsmaisel.tumblr.com

  • 1. Corpus Hermeticum 7e boek, in: Jan van Rijckenborgh, de Egyptische Oergnosis band 2, Haarlem 1962
  • 2. Jan van Rijckenborgh, de Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis eerste deel, Haarlem 1967, blz 111 e.v.
back to home pdf share