Light heart

Het zieke hart – deel 2

back to home pdf share

Naar deel 1

De kosmische synchroniciteit van ons hart

Rudolf Steiner noemde het hart al meer dan 100 jaar geleden een “innerlijk geestelijk zintuig”. Hij zag het fysiologische ritme van het hart en van de adem in verbinding met de kosmische periodiciteit en vond directe overeenkomsten. Het “platonische wereldjaar” telt 25.920 jaar. De gezonde mens ademt in rust ongeveer 18 maal per minuut. Dat levert in 24 uur 25.920 ademhalingen op. Als de mens de “bijbelse” leeftijd van 71 jaar bereikt, dan heeft hij in totaal 25.915 dagen geleefd. We zien dat het microritme en het macroritme nauw met elkaar samenwerken. Het is een helder economisch evolutievoordeel.

Steiner heeft met zijn geïnspireerde en intuïtieve ervaringsweten de fysiologie van het hart en van de bloedsomloop met elkaar in groter verband gebracht. Hij verklaarde in 1920 voor studenten medicijnen, dat het de bloedcirculatie is die het hart beweegt en zijn pulseren veroorzaakt, dat het dus niet de zogenaamde pompwerking van de hartspier is die de bloedcirculatie veroorzaakt – zoals het 400 jaar oude credo van het materialistische hartonderzoek luidde.

Steiner opende de deur tot een totaal-zicht op het bijzondere orgaan dat ons hart is, toen hij verklaarde:

In het hart weerspiegelt zich het hele wereldproces, de strijd tussen licht en zwaartekracht.

Ook Paracelsus zag deze synchroniciteit tussen boven en beneden, toen hij constateerde:

Zoals de zon op de aarde inwerkt, zo werkt het hart in op het lijf.

In directe analogie met het hart staat het zonnemetaal goud, dat in zich de gelijke ambivalentie van licht en zwaarte draagt. Het is logisch dat in de paracelsistische totaal-geneeskunde en in alle geneeswijzen die hiervan afgeleid zijn, het metaal goud in verfijnde vorm een wonderbaar geneesmiddel vormt voor het zieke hart.

In het organisme van de mens, zo verklaarde Steiner aan zijn studenten, zijn er drie polen: boven regeert de zintuig-zenuw-pool, onder de stofwisseling-ledematen-pool, die de fysiologie stuurt, en in het midden ligt het ritmische systeem van hart en ademhaling. Het midden bemiddelt, zodat het evenwicht bewaard kan worden.

Daarom is hart als bemiddelend medium tussen boven en beneden van centraal belang.

Speciaal stofwisselingsstoornissen onder in de mens, ontstaan door assimilatie-storingen van dat wat we met onze voeding opnemen, of van dat wat wij “niet kunnen verteren”, “vonken” naar het midden en zo ontstaan ritme-storingen, waarmee het hart, ons midden, de disharmonie probeert op te lossen.

Wij kennen alle de symptomen dat bij onverteerbare bestanddelen in de voeding al snel na het eten het ritme van het hart versnelt of dat er hartritmestoornissen optreden als in de dunne darm verhevigde gasvorming optreedt.

Uit de klassieke acupunctuur van de taoïstische geneeskunde kennen we de samenhang van hart en dunne darm. De laatste is een meesterlijke, zeer gedifferentieerde verteringskunstenaar. Hij is het yang-antwoord op het yin-orgaan, het hart. Deze moeder-zoon-betrekking leidt ertoe dat de ‘moeder’ de problemen van de ‘zoon’ probeert op te lossen. Het is net als in het ‘echte leven’.

Als de zwakheid van de ‘zoon’ duidelijk een feit is, ontstaat verhevigde gasvorming en een omhoog komen van het middenrif, wat dan niet alleen tot hartritmestoornissen, maar tot een hartbeklemming kan leiden (het Römheld effect).

De totaalvisie van Steiner werd in de afgelopen eeuw door enige onderzoekers gedeeld, en hun ervaringen maakten duidelijk dat het hart inderdaad niet als motor werkt, maar als een uiterst fijne regulator (o.a. prof. Mendelsohn uit Berlijn).

 

Het hart als communicatiecentrum van ons organisme

In 1996 werden de onderzoeksresultaten van Paul Pearsell uit de VS gepubliceerd. Hij vond experimenteel uit dat ons hart een sleutelrol vervult als communicatiecentrum van het totale organisme. De interessantste vondsten zijn gepubliceerd onder het begrip Cardio-energie. Zij bevestigen de totaalvisie van Seiner, maar hebben tot nu toe nauwelijks weerklank gevonden bij de materialistisch georiënteerde school-cardiologie. In het kader van deze onderzoeken werd duidelijk dat het hart de grootste producent is van elektromagnetische energie in het menselijk lichaam. Het hart reageert onmiddellijk, dus volledig autonoom, op elektromagnetische impulsen uit de omgeving, niet alleen op bevel van de hersens, maar ook zonder het “weten” daarvan.

Men kon een subtiele energie aanwijzen, die alleen van het hart afstraalt, verder geleid en opgenomen wordt. Omdat het hart de energieleider is voor onze lichaamscellen, kunnen opmerkelijke veranderingen in de lichaamscellen aangevoerd worden, die men als info-energetische celherinnering heeft beschreven.

Iedere lichaamscel – tenslotte zijn het er ca. 75 biljoen – “baadt” om zo te zeggen in de energie van het hart. Iedere hartcel – en dat zijn er miljoenen – bezit zijn eigen grondritme. De grondtoon van iedere hartcel is speciaal en eenmalig. En iedere hartcel bevindt zich in een kloppende dialoog met de andere hartcellen, klopt dus in een onophoudelijke subtiele communicatie. Uit dit pulserende totaal ontstaat de éne toon, de éne bijzondere, voelbare hartslag. Het lijkt op een orkest met miljoenen musici, dat in een onvoorstelbare ritmische verbondenheid de symfonie speelt waardoor het mysterie van het individuele leven hoorbaar en voelbaar wordt.

Iedere hartslag is dus veel meer dan een pulserende beweging. Het is een energiemysterie op het fysieke vlak, een subtiel energievoorbeeld op het zielsniveau en een nauwelijks begrijpelijk energiemysterie die het wonder van het geestelijke licht in ons inweeft.

On hart is een uniek, pulserend wonder uit energie en licht.

Zijn elektromagnetische uitstralingskracht is 5000 maal zo sterk als die van de hersenen.

 

Het hart – een lichtorgaan

In zijn subtielste aanzicht is ons hart een lichtorgaan en daarom in staat op lichtimpulsen uit het eeuwige geestveld te reageren.

Met iedere hartslag klopt dit universele licht om zo te zeggen aan de poort van ons diepste kernwezen, om daar opgenomen te worden en zich te kunnen ontplooien. Ons hart slaat gemiddeld ongeveer 100 000 maal per dag en 40 miljoen maal per jaar. In 70 jaar zijn dat ongeveer 3 biljoen hartslagen. Zou het mogelijk zijn dat de mens zijn hart zo heeft verhard, dat hij het zachte kloppen van de geest aan zijn hartendeur eenvoudigweg niet waarneemt?

Tussen het moment van het opnemen van het bloed uit het lichaam in het hart en het moment van het uitwerpen van het bloed uit het hart in het lichaam, is er een kleine tijd van vervuld en gespannen wachten, een wonderlijke rust. Dat zijn de genadevolle ogenblikken waarin de aanraking door kosmische lichtimpulsen mogelijk wordt, als we ons hart in de stilte van dit moment openen voor deze heilige ontmoeting.

Grijpen we deze aan ons geschonken genade niet, verdringen we deze opdracht om het eeuwige licht in onze tijdelijke persoonlijkheid tot openbaring te brengen, dan maant in plaats daarvan ons organische hart ons aan, doordat het allerlei ziekte-achtige storingen op het lichamelijke toneel ensceneert, zodat wij onze eigenlijke zingeving weer herkennen en dienovereenkomstig onze gedachten, gevoelens en wilsimpulsen opnieuw op elkaar afstemmen, waardoor een veranderd handelingsleven en daarmee ook een genezing kan volgen.

Dit wonderbaarlijke ritmische gebeuren in ons hart verleent onze individualiteit haar unieke levensuitdrukking.

Uit deze verstrekkende samenhangen wordt het ons duidelijk dat het transplanteren van dit bijzondere orgaan op een ander mens, van wie het bewustzijn op zijn eigen wijze functioneert, problemen van afstoting opwerpt. Daarom beleven mensen bij wie een vreemd hart werd ingeplant, vaak een ‘vervreemding’. Ze ontwikkelen een andere manier van leven, een andere manier van gedragen, onbekende neigingen en interesses, en velen voelen zich niet meer identiek met hun vroegere zelf, zodat ze in zware depressies terechtkomen. Hier wordt ons duidelijk dat onze unieke individualiteit en onze unieke zingeving vooral in ons hartorgaan is ingeëtst.

Naar deel 3

back to home pdf share