Sol

Een bijzondere belevenis - Deel 2 Wat er na de crisis kwam

back to home pdf share

Ik was 19 jaar, toen ik voor de eerste keer echt verliefd werd. Hij was een alcoholicus en een paar jaar ouder dan ik. Hij zei, dat hij geen vaste relatie wilde beginnen, omdat hij niet wist hoe lang hij nog te leven had. Zo jong en naïef als ik was, dacht ik dat ik hem kon helpen. Hij begon toch een relatie met mij. Maar na ongeveer een jaar legde hij me plotseling uit, hij had het me immers gelijk gezegd, dat een verdere relatie onverantwoord was. Ik moest weg, voordat we ons aan elkaar gehecht hadden. Met mij was dat echter al gebeurd – ik was, ondanks zijn alcoholprobleem van hem gaan houden.

De breuk deed pijn. De zielepijn bracht me volledig van de wijs, en mijn totale levensinstelling stond op zijn kop. Dat wat ik als liefde ervoer, voelde onvernietigbaar aan. En nu was het een puinhoop. Deze eerste grote levenscrisis leidde tot een blijvende verandering.

Eerst moest ik het hartzeer een plaats geven. Ik probeerde mijn liefde voor deze man te verminderen. Pas in latere relaties begreep ik, dat je liefde niet kan verminderen. Ze is er, of ze is er niet. Ik zakte weg in een diepe treurnis, die me tot een dieptepunt bracht, ik zakte weg in een totale gevoelscrisis. Ik twijfelde overal aan, probeerde de betekenis te vinden van alles wat ik in de wereld waarnam en bij alles wat ik zelf wilde doen en wilde zijn. Alle zin ontbrak. Tot die tijd was ik atheïstisch en volkomen materialistisch ingesteld, geloofde niet in een god of een hogere macht. Wat ik meegekregen had van de kerk, vond ik ongeloofwaardig, ja zelfs leugenachtig.

Deze crisis duurde vele jaren. Eerst probeerde ik mijn zielepijn te verdoven. Alcohol verdroeg ik niet, bovendien was ik daarvoor gewaarschuwd door datgene wat ik daardoor meegemaakt had. Tijdens het samenwonen in een woongroep gebeurde het dat een medebewoner me LSD aanbood. Ik besloot het te proberen. Het was een ervaring die diep insloeg en die ik niet verder zou aanbevelen. Ik had tegen mijn medebewoners gezegd, dat ze op me moesten passen, omdat ik alleen wilde blijven in mijn kamer. De psychedelische ervaring bracht me tot een oververzadiging van mijn zinnen, waarop ik hevig begon te verlangen naar rust. Ik wilde vanaf een bepaald punt weg bij die spectaculaire kleuren en bij het horen van die muziek, om het even hoe fantastisch het ook was. Ik schermde me zo ver het maar mogelijk was af voor indrukken op het gemoed, totdat ik alleen nog maar mijn adem waarnam. Ik volgde die ademstroom heel passief, bemoeide me niet met het ritme. Plotseling leek het dat mijn ademhaling, evenals de indrukken op mijn gemoed, steeds minder werden, totdat ik na een oneindig lang aanvoelende uitademing, wachtte op de inademing. De tijd rekte en rekte zich uit, totdat ik het griezelig vond. Zou ik niet meer kunnen inademen? Ik probeerde het. Het ging niet. Ik wachtte en wachtte. Ik werd bang. Zou ik nu sterven? Was dit alles wat ik van het leven mocht verwachten?

Toen kwam een medebewoner mijn kamer binnen om te kijken hoe het met me was. We wisselden kort een paar woorden, en toen ging hij weer. Ik stond verbaasd, want ik had een helder licht om hem heen waargenomen, een licht, dat hij zelf leek uit te stralen. Dit licht had een langduriger uitwerking op mij dan alle andere waarnemingen. De werking van de drug was verminderd, zodat het licht aangenaam was. Er ging iets in mij open. Een gevoel van waarachtigheid kwam bij me binnen.

 

Het keerpunt

De indruk van licht liet me niet meer los. Ik nam nooit weer drugs. Maar ik merkte van af nu de drang op uit te vinden wat dit licht te betekenen had. Over aura’s en dergelijke had ik nog nooit iets gehoord.

De vraag of de zinnelijke materiële wereld alles was, kwelde me, waren er niet nog andere vormen van bestaan? Deze vraag werd voor mij existentieel belangrijk. Ik vroeg me af, of er geen god of iets goddelijks zou kunnen bestaan, of het leven niet door een hogere macht geleid werd. Eerst kwam ik op het antwoord: Het is een kwestie van geloof, je kunt hier niets bewijzen.

Maar dat antwoord beviel me niet. Langzamerhand veranderde mijn leven: Ik leerde andere mensen kennen en begon met vrienden te filosoferen. Toen ontmoette ik iemand, die een boek van Rudolf Steiner bezat. lk ging het lezen en stond verbaasd. Een volkomen ander wereldbeeld kwam op me af, en ik wist zeker, dat het geen kwestie van geloof meer was, wat ik daar las. Daarna verslond ik alles wat er aan esoterische en spirituele literatuur bestond. Negen jaar lang nam ik alles in me op wat ik maar aan spirituele leringen en wegen kon vinden. Er was heel veel. Maar het lezen daarover kon op den duur niet genoeg zijn. Ik ontwikkelde een behoefte aan volledige vernieuwing, aan bevrijding, aan versmelting met het goddelijke, aan dat, wat vele van deze geschriften in het vooruitzicht stelden. Maar welke van die vele wegen zou ik kiezen? Wat was voor mij het juiste? Ik ben nooit lichtgelovig geweest en dus bleef ik ook nu sceptisch.

Ooit ontmoette ik via een contact met mijn vriendenkring de groep, waar ik nu bij hoor. Bij mijn eerste bezoek in een van hun vertrekken - bij iemand die een voordracht hield - stond me helder voor de geest: Die persoon, die daar spreekt, is met de bron van de waarheid verbonden. Deze bron is het, die ik zoek! Precies zijn woorden gaven me deze intuïtie. Ik nam ook mijn partner mee naar een voordracht en hij had eveneens zo’n sterke intuïtie; en deze luidde: ik ben nog niet zover.

Ik kwam in verbinding met het geestelijke veld van deze groep. Het is tot nu toe voor mij een bron van inspiratie en verandering.

back to home pdf share