Forests path

LOGON en de weg van de Ene deel 1

back to home pdf share

Wat is de Logos? Het is het scheppende woord dat zichzelf in de wereld uitdrukt als zingeving, als reden en als macht. De Logos is de kracht waardoor alles in de natuur ontstaat zowel als in de spirituele kern van de mens. De Logos drukt het bestaan van de Ene uit als de oorsprong van alle dingen. Het is de hoogste bron van inspiratie en dit te ervaren – al is het maar voor een moment - betekent dat de diepste en hoogste aspecten van het zelf kunnen oplaaien.

 

Alles kan worden afgeleid van de Ene Oorsprong en alles blijft erdoor omhuld. In LOGON moet duidelijk worden dat de twee in de Ene blijven, de onenigheid in de eenheid, de eenheid in de Ene. De Ene bezit volmaakte vrijheid en zendt er zoveel mogelijk van uit naar de schepping, zoveel als die kan dragen. Niemand kan de Ene bevatten en omvatten. Zij is transcendent, onnoembaar, onuitsprekelijk en onpeilbaar. En toch moeten we erover spreken, omdat alles eruit voortkomt en alles ernaar streeft om ernaar terug te keren. Er eén mee te worden is het doel waarin alle doelen van het leven samenkomen.

 

De Logos stelt ons ook in staat om dit te doen. Het heeft ons daartoe ons denkvermogen gegeven. En ons denken kan zich openen voor die Oorsprong; het kan er door worden geïnspireerd. De mythen verhalen ons hoe de Ene zichzelf zowel als mannelijk en als vrouwelijk toont. De filosoof uit de oudheid, Philo van Alexandrië, zei al: 'De Logos kreeg goddelijke en zuivere ouders: God zelf als de vader, die ook de vader van het Al is, en Sophia is als de moeder door wie het Al tot openbaring kwam. (Quote van Wilhelm Kelber, Die Logoslehre, Frankfurt am Mail 1986, blz. 90). In het midden van de heilige eerste polariteit ontwaakte het eerste bewustzijn: de Logos. Zij gebruikt de creatieve beweging van de twee oorspronkelijke polen om impulsen te genereren in hun naam die het ene leven in steeds hogere levensvormen kunnen transformeren.

 

De Logos genereert de werkelijkheid in vele spiralen tot uiteindelijk de mens. Maar de mens kan de oorspronkelijke harmonie van de polen verstoren en ze tot vurige contrasten maken: zijn en niet-zijn, schepping en ont-schepping, leven en dood, mannelijk en vrouwelijk, stilte en beweging. Ze zijn dan niet langer de harmonieuze polen van eenheid van de scheppende Logos maar we veranderen ze in antagonistische tegenstellingen. Het pad van de mens is lang, verward, donker, zelfs al is het altijd binnen de omhulling van de Ene.

 

Goethe zegt dat de dieren verkeerden in een "heilige cirkel van levende vorming.” (in: Metamorphose der Tiere). Ze kunnen niet tot de eenheid reiken. Dat is anders voor de mens. Zijn bestaan ​​staat onder het teken van het afscheid. Hij breekt uit en wordt daardoor zelf opgebroken. Lucretius een Romeinse dichter uit de 1ste eeuw voor Christus, dichtte in een lofzang: " Het was een Griek die voor het eerst de moed had om zijn sterfelijke oog te richten op de hemel die vol met goden was en hij was de eerste die de grendel durfde weg te schuiven van de poort van Moeder Natuur in een machtige storm .... En zo geschiedde het.

Zijn moedige geest overwon en hij zette zijn voet ver voorbij de vlammende afscheiding van het universum. "(Citaat van Jean Gebser, Ursprung und Gegenwart, 1e deel, deel 2, Schaffhausen 1986, blz. 350)

Wat deden de Grieken precies? Ze gebruikten de geest. Gedachten maken deel uit van ons creatieve bewustzijn. De mens begon zijn gedachten steeds meer op details te concentreren. Hij probeerde de verschijnselen van de natuur te begrijpen om ze te kunnen beheersen. En dus scheidde hij ze van elkaar, differentieerde ze en op deze manier verbrak hij de eenheid. Hij zag "Moeder Natuur" niet langer als één geheel.

De mythen gaven de mens lange tijd een basis voor zijn bestaan. Hij herkende daarin zijn afkomst en zijn bestemming en vond via hen zijn plaats in de wereld. Maar toen kwam de tijd dat de mythen hun kracht verloren. De diversiteit van de wereld werd extremer, het spel van krachten, dat de mens eerst nog als de goden ervoer, werd steeds verwarrender. Er ontwikkelde zich een psychologische chaos in zijn innerlijke wezen die hij niet langer kon temmen door gebruik te maken van mythen (zie Gebser, blz. 373)

 

Aldus nam de mens het zwaard van de geest ter hand. Door middel van dit zwaard begon hij de krachten van de natuur te beteugelen die hem eerst zo bang maakten, en wel door ze te identificeren en te classificeren. Dit was al een soort bevrijding voor hem. In het begin was de geest van de mens nog verticaal gericht, op de oorsprong van de dingen. De eerste Griekse filosofen verklaarden de verschijnselen om hen heen via boven de oorspronkelijke verschijnselen gelegen oorzaken. Ze reikten zo via de ziel naar de Logos. Vanuit ons huidige perspectief is hun geest vaak mysterieus en obscuur. Veel uitspraken van de Griekse filosoof Heraclitus bijvoorbeeld blijven nogal raadselachtig voor ons. Ze zijn gebaseerd op indrukken uit de werelden van de ziel, waarin de scheppende geest kan worden ervaren.

 

Daarna kwam er een tijd waarin de geest horizontaal gefocust werd. Ook dit was deel van de worsteling om bevrijding. Dit vond plaats toen de Ene zich verder terugtrok uit het bewustzijn van de mens. Religieuze autoriteiten probeerden dit proces te vertragen door het verlangen naar Kennis te kanaliseren middels religieuze voorschriften en dogma's. In de loop der tijd werden die echter minder en minder begrepen en dus werden het dwangbuizen waaruit de mensen zich uiteindelijk wisten te ontworstelen.

 

Nieuwsgierige en wetenschappelijk denkende mensen drongen steeds dieper door in de uiterlijke verschijningen van de natuur en zo werd de geest horizontaal georiënteerd. De zogenaamde "Galilese afzwering" werd gebruikelijk. Daarmee kon de Italiaanse astronoom Galileo Galilei aan het begin van de 17e eeuw zijn leven redden van de inquisitie rechtbank. Hij werd, samen met Johannes Kepler, Francis Bacon en René Descartes, een van de grondleggers van de moderne wetenschap. Galilei zwoor tegenover de kerkrechters dat hij katholiek zou zijn en blijven en beloofde verder dat hij zijn onderzoek zou beperken tot de 'hoe-vraag' vraag' en de vraag over het "waarom" aan de religieuze autoriteiten zou overlaten. De horizontale weg werd daardoor het domein van het verstand en de verticale weg het territorium van het geloof.

 

Zo begon de zegetocht van de wetenschap. Onderzoekers zetten zich in om de natuur te overwinnen. Wat eerst "Moeder Natuur" was, geliefd en gevreesd, werd nu iets om uit elkaar te halen en er je voordeel mee te doen. "De echte aard van de dingen komt tot pas uiting wanneer we ernaar kijken vanuit de kunst van het mens-zijn", schreef Francis Bacon in 1620 (Citaat volgens Roland van Vliet in: Mensch und Erde, Wege zu einem inneren Klimawandel, Band 2, Stiftung Rosenkreuz 2010, S. 51).

 

Het sterke verlangen naar kennis die echter alleen op de buitenkant gericht was, leidde tot de ontwikkeling van het ego in de mens zoals we dat vandaag kennen. Descartes zag het bewijs voor zijn bestaan in zijn gedachtenactiviteit. Maar ...is het ego dat zich op deze manier ontwikkelde eigenlijk niet een schitterende weerspiegeling van de Ene en de zoektocht van de mens naar die Ene - een zoektocht die altijd onvervuld zal blijven? Is het eigenlijk niet een weerspiegeling van de zoektocht naar de Ene?

 

De gevolgen van onze onderzoekingen zijn verreikend. Wetenschappers focussen zich op de oneindigheid van het universum - en reduceren ons daarmee tot dwergen. Ze beperken zich als ze hun inspanningen alleenop de natuurlijke fenomenen richten - en ze reduceren zo ook ons tot slechts een natuurlijk fenomeen. De wetenschappelijke geest is gebonden aan de tijd - en daarom zien we onszelf als een eendagsvlieg in een wereldproces dat begon met een oerknal en ons schiep als een gevolg van toevallige mutaties.

 

De horizontale geest kan zich ook wel verheffen. Dat leidt dan tot abstractie en wiskunde. In formules en de terminologie herkennen we correlaties. Ook daarin verschijnt de Ene, hoewel onze ziel met deze benadering niet dichter bij de Ene kan komen. Slechts weinig mensen zijn in staat om de dimensies van de ziel en de scheppende geest te ervaren in de harmonie van wiskundige formules. Wetenschappers claimen het alleenrecht ten aanzien van de interpretaties over het bestaan van de mens. Maar daardoor leiden ze hun wetenschap naar een crisis, misschien vergelijkbaar met de crisis van die de mythen en dogma's in hun tijd ondervonden, omdat de mens steeds verder wil. Een zuiver wetenschappelijke geest kan de zin van het leven niet verklaren. Zo staan we opnieuw op het punt om uit een cirkel te breken.

(Tweede deel volgt)

 

back to home pdf share