Dancing Sufis

Ontmoeting met het eeuwige – waar rozenkruisers en soefi’s elkaar de hand reiken

back to home pdf share

Wat is het, dit bestaan? Wat is de betekenis? Een bevredigend antwoord is helaas niet te vinden. Het zoeken ernaar is zich bezig houden met een mysterie.

Mystiek in de oorspronkelijke betekenis heeft betrekking op het kennen van de mysteriën. Men kan over de grond van het bestaan nadenken, men kan in een geloof opgroeien, men kan ervaringen hebben. Maar bij diepe mystiek gaat het erom zichzelf als antwoord te beleven op het ‘geheel’, zichzelf tot een antwoord te maken.

Het grote mysterie, God, kan ons beroeren. Wij zijn erop gericht dat dat geschiedt. En meer nog: Wij zijn erop gericht dat het goddelijke in ons ontwaakt. Onder de benaming rozenkruis en soefisme worden wegen bewandeld waarop dit kan plaatsvinden. Het hart speelt daarbij een beslissende rol. Want in het hart bevindt zich het belangrijkste aanrakingspunt voor het goddelijke, een geest-zielepoort die zich kan openen. En: er bestaan veel manieren om aan deze poort te kloppen.

Soera 50 in de Koran zegt:

God is voor de mensen “nader dan de halsslagader.” (50:16)

In de Bijbel staat:

Ik leef, maar nu niet langer ik, maar Christus in mij. (Gal.2, 20)

Ibn ‘Arabi, de grote theosoof onder de meesters van het soefisme (1165-1240), heeft het erover dat bij ieder mens een geestelijke naam hoort. Het is de innerlijke god, de geestelijke pool in de mens, het archetypische wezen, de onveranderbare wezensgrond van de mens. Hij bestaat sinds eeuwigheden, al voor elke schepping. Hij brengt ons als het uiterlijke wezen voort, om in ons te ontwaken. De goddelijke naam wil door ons genoemd worden. Hij wil in ons oplichten, pas daardoor kan hij beginnen te existeren.[1]

De Fama Fraternitatis (het eerste rozenkruisersgeschrift, 1614 [2] ) en Ibn’Arabi gebruiken wonderbaarlijk gelijksoortige beelden voor dat wat gebeurt als de deur van het hart zich opent en de alles veranderende ontmoeting met het mysterie van ons bestaan plaatsvindt.

 

De Fama Fraternitatis en Ibn’Arabi

De Fama Fraternitatis bericht hoe Christiaan Rozenkruis, de legendarische stichter van het rozenkruis, een reis onderneemt rond de Middellandse Zee. Herhaaldelijk ontmoet hij daarbij de wijzen van Arabië, de soefi’s. Zij tonen hem hun weg. Samen met hen opent hij de deur tot de zielenwerelden en ervaart zichzelf als microkosmos, waarin alles verenigd is, het transcendente en het natuurlijke. Hij beleeft zich als afspiegeling en als compendium van het universum, van de macrokosmos.

Na zijn terugkeer in Duitsland richt Christiaan Rozenkruis samen met zijn leerlingen het “Huis Sancti Spiritus” op. Hierover wordt aan het slot van de Fama Fraternitatis gezegd:

Ook zal ons gebouw, al hadden honderdduizend mensen het van nabij gezien, voor de goddeloze wereld in eeuwigheid onberoerd, onverstoord, ongezien en volkomen verborgen blijven.

Het is een “huis”, een sfeer in de zielenwereld.

Bewust toegang vinden tot deze sfeer is wat men kan aanduiden als inwijding. Het is het ontwaken van de meest innerlijke gebieden in de eigen microkosmos en tegelijk het ontwaken in de werelden waar die thuishoren.

De Fama beschrijft hoe latere generaties naar het grafgewelf van Christiaan Rozenkruis zoeken en het niet vinden. Ze staan als voor een innerlijke muur. Dan treedt “Broeder N.N.” op. Hij begint aan hun “gebouw” iets te veranderen. En daarbij stoten ze plotseling op een gedenktafel met de namen van allen die bij de broederschap behoorden. Zij wilden de plaat naar een andere plek brengen. Uit de tafel steekt een spijker. Zij trekken hem er uit en een verborgen deur wordt zichtbaar. Daarop staat:

Na 120 jaar zal ik open gaan.

En aan het jaartal dat daaronder staat, blijkt dat de 120 jaar verstreken zijn.

Nu is het interessant, dat met het begrip tafel in het arabisch ook de al-ziel aangeduid wordt. Het eerste intellect, de goddelijke geest, schrijft op de “tafel van de zielenwereld” alles wat er zal zijn. Het gaat om de tussenwereld tussen de wereld van de goddelijke geest en ons levensgebied. [3]

Als in de Fama Fraternitatis gezegd wordt dat de broeders van het rozenkruis de tafel van de muur losmaken, betekent dit dus dat ze de toegang tot de zielenwereld ontdekken. Zij stoten op de namen van degenen die hen voorgingen. Maar voor zij de innerlijke tempel betreden, lezen zij hun ‘rota’. Zij raadplegen de goddelijke wijsheid in hun innerlijk.

Ibn’Arabi beschrijft in zijn werk Fusus Al hikam, hoe hij op een tempel stoot die geen toegang heeft. Geen deur, geen venster is te zien. Hij gaat moedig om de tempel heen, deze rust op vijf zuilen. En plotseling merkt hij dat een van de zuilen iets naar voren uitsteekt. Hij nadert hem en kust hem, zoals de gelovigen van de islam de zwarte steen aan de Ka’aba in Mekka kussen.

De naar voren stekende zuil, de naar voren stekende spijker – beide symboliseren helpende goddelijke krachten, die zich naar de mens toewenden. Hij moet ze alleen maar opmerken bij het lopen om de gesloten tempel.

Ibn’Arabi beleeft nu hoe uit de schaduw van de muur een vrouwelijke gestalte naar voren treedt. Het is Sophia, de goddelijke wijsheid. Zij komt overeen met de rota van de broeders van het rozenkruis. Hand in hand met Sophia betreedt hij de innerlijke tempel. De muren worden transparant, de tempel blijkt levend: de tempel is het eigen hart. Sophia verandert in de onsterfelijke metgezel. Zij is een beeld van de geestziel van de mens en daarmee een afgezant van de goddelijke innerlijke pool, van de goddelijke naam. [4]

 

Het eeuwige belichamen

De broeders van het rozenkruis vinden het onsterfelijke lichaam van Christiaan Rozenkruis “in vol ornaat”. Zijn grafgewelf heeft zeven zijden. Dat wijst op de universaliteit van Christiaan Rozenkruis. De broeders moeten een altaar opzij schuiven om bij het onsterfelijke lichaam te komen, dat zich in een nog dieper gewelf bevindt. Op het altaar staaan onder andere de woorden:

Dit compendium van het ganse al heb ik mij tijdens mijn leven tot een graf gemaakt.

Het gaat om het geheel en om de weerspiegeling ervan in het individu. In zijn hand houdt Christiaan Rozenkruis het boek T, het boek Theos, het boek der onsterfelijkheid.

De mythe van Christiaan Rozenkruis gaat over het alomvattende. Daarop wijst ook het beeld van de reis om de Middellandse Zee. Rond de Middellandse Zee waren alle culturen en religies vertegenwoordigd. De reis lijkt op een mandala, waarin alles samengevoegd wordt.

Zowel de broeders van het rozenkruis als Ibn’Arabi zijn in staat geweest het innerlijkste heiligdom te betreden, de zielentempel in hun microkosmos. Daar (en daarmee tegelijkertijd in de geest-zielenwerelden) rust het hoogste zelf van de mens, de oorzaak en de geestelijke grond van zijn bestaan. Dit wordt hun tot begeleider. Zij hebben de zin van hun leven gevonden. Bij al hun doen zal het er nu om gaan, Hem, de Ander in het eigen wezen, te verwerkelijken.

Zo richten zij zich weer tot de wereld en dienen allen die op zoek zijn.

 


[1] vergelijk Henry Corbin, L’imagination créatrice dans le soufisme d’Ibn’Arabi, Parijs 1958, blz. 278, 170, 199, 207, 260 (Engelse vertaling: Creative Imagination in the Sufism of Ibn’Arabi, Princeton 1981, blz. 267, 154, 184, 193, 148; Titus Burckhardt, Vom Sufitum, München 1953, blz. 63 e.v.

[2] Dit werd anoniem gepubliceerd en stamde uit een vriendenkring in Tübingen rondom Tobias Hess en Valentin Andreae. Een heruitgave verscheen in 1998 bij de Rozekruis Pers in Haarlem, NL.

[3] Ibn’Arabi, Urwolke und Welt, Mystische Texte des Grössten Meisters, uitgegeven door Alma Giese, München 2002, blz. 338; Titus Burckhardt (zie noot 1), blz. 73

[4] Henry Corbin, L’imagination créatrice, blz. 289 e.v. (Engelse vetaling: blz. 278 e.v.)

back to home pdf share