trees

Onderweg

back to home pdf share

Wat zien we?

Het Rembrandtschilderij heet ‘De vlucht naar Egypte’. Een ezel draagt een vrouw met een baby en wordt geleid door een blootsvoets stappende man. De kleren van de man en zijn huid hebben de kleuren van de aarde in het licht dat op de groep reizigers valt. Het licht komt van een lichtbron die we slechts kunnen veronderstellen: een open deur, een straatlantaarn of een vuur aan de rand van de weg. Of hét Licht, dat dit gezelschap begeleidt aan de rechterhand.

Flight to Egypt

Het licht tekent hun schaduwen op het zand. Van de schaduwen van een stekelige plant en van de groep, samen met de donkerblauwe ongelijkmatige duisternis gaat een zekere dreiging uit. De vrouw is in helder blauw gekleed. Haar hoofddoek en een stuk bagage vormen kleine contrasten in aardetinten. De man draagt een grijsblauwe heuptas. Man en vrouw samen vormen zo een yin-yangsymbool: een blauw detail in een vlak vol aardetinten, een bruingeel detail in een zee van lichtblauw.  Naast de grote lichtvlek is er het kleine felle licht van de aura rond het kinderhoofdje.

Child on ox

Het marmerschilderijtje kun je zien als de zesde uit een reeks van tien afbeeldingen uit het zenboeddhisme, die gaan over het temmen en berijden van de stier – soms ook  os of buffel. Standaard is nummer 6 getiteld: de stier berijden op weg naar huis. Ook deze is dus een afbeelding onderweg. We zien een stier met op zijn rug een kind dat aan een touw een vlieger stuurt, hoog in de lucht. Er is een rustige dynamiek in de prent. De stier draagt de mens die een verbinding houdt met boven.

Wat is het verhaal ?

De traditie van het Westen: de vlucht naar Egypte wordt ondernomen nadat het kind van Maria is geboren in een stal. Jozef was daarbij en een os en een ezel. Jozef wordt in een droom door een engel gewaarschuwd met het kind en zijn moeder naar Egypte te vluchten, vanwege de dreiging van de heersende koning Herodes.
De traditie van het Oosten: een stier moet door zijn hoeder, zijn herder, gevangen en getemd worden. Dat gebeurt in de eerdere afbeeldingen van de boeddhistische prentenreeks. Later in de reeks zullen zowel de stier als de herder, na elkaar, spoorloos oplossen in de grote cirkel van het Al.

Wat kunnen we daarbij bedenken?

Duiden we elk kunstwerkje als een afbeelding van de mens in een bepaalde fase op het pad. Er is een menselijke figuur of figuren en er is een dier dat op de aarde loopt en een mens draagt.

Bij Rembrandt zijn er drie menselijke figuren. Er is de vrouw Maria in de kleur van de hemel. Er is de man Jozef in de kleuren van de aarde. En er is het kind Jezus. We zien het vrouwelijke, ontvangende aanzicht van de ziel en het mannelijke, uitgaand handelende aspect. Jozef was voordien slapende, niet handelend, toen hij in een droom werd gewaarschuwd. Maria kreeg haar aankondiging van zwangerschap en geboorte van een engel terwijl ze wakker was. Het kind is van de heilige geest.
De ezel is het dierlijke in de mens, dat is: het lichaam en een deel van de ziel dat dicht bij het lichaam is. De ezel wordt aan de teugel geleid door de man, die ook op de aarde loopt.

De man bepaalt de richting die zij allen uitgaan, in een positief antwoord op de waarschuwing die hij ontving.
Het kind wordt, boven de wereld, gedragen door de vrouw die op de ezel zit. Het kind heeft een schitterend aureool. Het kind is niet van deze wereld. Het is volkomen nieuw en verbindt de groep met dat wat boven is, met de hemel.
De ziel wordt dus afgebeeld in haar ontvangende aanzicht Maria, in haar manifesterend aanzicht Jozef en in dát in de ziel wat volkomen nieuw is en nu nog door de man/vrouw én door de ezel gedragen wordt. Het lichaam, de daden stellende man, de vrouw die rust en het kind draagt. Zij is het maagdelijke deel van de ziel waarin de heilige geest het kind verwekte.

In de oosterse prent wordt een mensfiguur – mogelijk een kind – gedragen door de stier. Het kind vliegert. De vlieger en het touw maken de verbinding met de hemel. In de meer klassieke prentenreeks speelt de hoeder fluit, zittend op de rug van de stier. De tonen van zijn fluit stijgen op naar de hemel. Ook daar: lichaam, ziel en een verbinding met het hogere.

Wat kunnen we hiermee doen?

Aan de vlucht naar Egypte hangt een heel verhaal: van koningen of magiërs, van koning Herodes die het kind, de voor de macht bedreigende nieuwgeboren messias, wil doden, van de waarschuwende engel in Jozefs droom en het gaan naar Egypte. Het prille nieuwe dat in ons hart geboren is, wordt door de reine zielekracht van Maria en de bereidwillige daadkracht van Jozef, die de ezel leidt, in veiligheid gebracht. Onze ziel wordt uitgenodigd het nieuwe in haar te beschermen en daarbij het lichaam en haar eigen meer instinctieve deel zowel te gebruiken als te leiden.

Vele nieuwgeborenen zullen wél sterven. Zij zijn niet de absoluut nieuwe Jezus. Zij hebben met Jezus enkel de tijd en de plaats van geboren worden gemeen. De plaats van geboren worden is ons hart. Zij, die andere nieuwgeborenen,  zouden kunnen zijn: allerlei nieuwe gevoelens, hartideeën, die ten tijde van de Jezusgeboorte in ons ontstaan. Elk van die kinderen is een fantastisch potentieel dat niet zijn mag, omwille van het behoud van de macht van de oude koning die Ik wordt genoemd.

Het gedicht bij de zesde plaat van ‘het temmen van de stier’, in zijn klassieke uitvoering met de fluitspeler eindigt:

Ik doe het eindeloze ritme uitgaan. Wie dit lied hoort zal zich bij mij voegen.

Rijdend op de stier, op weg naar huis.
 

Zie ook:   

spirituele teksten : de vlucht naar Egypte           

spirituele teksten : het temmen van de os


 

back to home pdf share