Brain coral

Traagheid en het geheugeneffect

back to home pdf share

Materie en geheugen

Terwijl je dit leest worden de woorden opgenomen in het werkgeheugen van jouw brein. Dat is een korte-termijngeheugen. Raken de woorden je, wil je erover nadenken of gewoon omdat plots de deur met een klap dicht knalt, dan trekken de woorden een geheugenspoor. De informatie wordt opgeslagen in een netwerk van neuronen. Dat betekent dat er een tijdelijke vormverandering optreedt in de fysieke werkelijkheid van jouw hersenen. Daarvoor is energie nodig. Het geheugenspoor is zo vluchtig dat er bewust of onbewust energie naartoe moet stromen om het in stand te houden. De permanente vorm van de informatie lijkt eerder vormloos en verspreid. Het geheugenspoor is een tijdelijke geconcentreerde vorm. Een ordening van materie om weten op te slaan. Ook een gedrukt en gebonden boek is een herschikking van materie – inkt en papier - in een vorm die informatie bevat. Boeken zijn heel erg tijdelijk aan het worden. E-books zijn nog vluchtiger en worden opgeslagen door een tijdelijke herschikking op elektronische schaal in een geheugenchip. Het downloaden en schrijven kost energie.

Door dit alles vloeit de tijd. Die stroom bepaalt of we spreken van tijdelijk of van permanent. Die stroom is de toets van ons geheugen. Mijn bewustzijn en herinneringen in de stroom van de tijd.

 

Weerstand tegen verandering

Je staat in een overvol metrostel. Door het raam zie je de afwisseling van stroken licht en duister van de tunnel. Krijsend wordt er geremd. Je schiet een eind naar voren waar je meer of minder zacht wordt opgevangen door die andere passagiers die met je mee bewegen. Langzaam neemt ieder weer zijn eigen plaatsje in. Dit effect werd door de heer Mach – die van de geluidssnelheid – als volgt onder woorden gebracht:

Als de tram schudt zijn het de sterren die je doen vallen.

Meer prozaïsch heet dit: traagheid. Wij in die tram zijn met het stel in een beweging van zo’n 80km per uur. Wordt de tram geremd dan wil ons lichaam zijn beweging onveranderd voortzetten. Ons lichaam, dat door al die hemellichamen en door de aarde wordt aangetrokken. Permanent wordt aangetrokken. Als er geen andere kracht op ons wordt uitgeoefend blijven we onveranderd doorgaan. Newton drukt dit uit als: F = m*a. Waarin a staat voor versnelling, dat is verandering. En F voor die andere kracht. Wij worden voorgesteld door m, de massa. Mijn massa is niet enkel een verzameling moleculen, materie. Zij is vooral een weerstand tegen verandering als een kracht ons aangrijpt. De uitspraak van Mach geeft aan dat we puur als materie in verbinding zijn met alle andere materie in het heelal.

 

Materie in beweging

Wij, mensen, weten vanuit ervaring met traagheid om te gaan. Als je het water in een kuip over de rand wil plenzen, dan weet je uit ervaring dat je je hand in het water steekt en heen en weer begint te bewegen, eerst traag, dan wat sneller tot je voelt dat je precies de goede frequentie te pakken hebt: het water beweegt helemaal met je mee. Dan maak je de bewegingen langer en een flinke golf gaat over de rand. Hetzelfde doe je als je een zwaar wagentje over een drempel wil duwen: je rolt het ding een aantal keren op en neer, voelt de goede frequentie en maakt dan de beweging langer en hop, gaat die massa over de drempel. De te vinden frequentie heet eigenfrequentie.
Aan dat trillingsritme kan je maximaal energie op het bewogen systeem overdragen. Er treedt resonantie op tussen de beweger en dat wat bewogen wordt.

 

Traagheid

Een geheugenspoor in de hersenen, een mogelijkheid tot herinnering. Een kind wordt geboren met de daaraan voorafgaande herinnering van gedragen worden door de eeuwigheid. Het projecteert zijn verlangen naar die dragende god op de moeder die voor zijn overleven garant staat. De moeder is menselijk en zal dus onmogelijk aan de hoge verwachtingen kunnen voldoen. De teleurstelling, ervaren als pijn, laat een geheugenspoor na tot in de cellen van het lichaam. De zaligheid van gevoed en verzorgd en bemind te worden idem. Deze sporen zullen later moeilijker te decoderen zijn als een herinnering. Zij bepalen wel mee de persoonlijkheid.
Biologisch erven we de darmflora van onze moeder. Dat betekent: organismen die essentieel zijn voor onze spijsvertering in een aantal dat groter is dan het aantal eigen cellen van ons lichaam. Ook daar trekt de natuur een geheugenspoor dat als het buikbewustzijn een grote invloed zal uitoefenen op onze persoonlijkheid. De bacterievolkeren willen elk als volk blijven leven. Zij vragen telkens weer om specifieke vormen van voedsel. Denk aan de schreeuwhonger naar chocolade of suiker en het gevecht van zelfs een bewuste mens tegen zijn snoepneiging.
Als de ouders sterven dan erven de kinderen. De erfenis begint echter veel vroeger in ons leven: we erven een DNA-combinatie van onze ouders. We erven het bloed van onze moeder. We erven de darmflora van onze moeder. We erven dat web aan geheugensporen van onze prille ervaringen in de interactie met onze ouders, beginnend bij de conceptie. Via bloed en DNA erven we de balans van eerdere voorouders die in onze stamboom pronken. Ons verleden, dat zijn de verzamelde geheugensporen uit heel onze bestaansgeschiedenis, is zo heel erg bepalend voor ons actuele zijn. En het overgrote deel van die invloed werkt volkomen onbewust.
En dan groeien we op, als kind, als tiener, jong volwassene, volwassene. We groeien op vanuit ons erfgoed, ons verleden. We groeien op in een gezin, een gemeenschap, een samenleving.
Die maatschappij kent leefregels, collectieve overtuigingen en wetten die aangeven hoe ik mij in die omgeving gedragen moet, gedragen kan. Er ontstaan conflicten tussen mijn innerlijk gedreven worden tot een bepaald doen en laten enerzijds en die maatschappelijk eisen anderzijds. Er wordt opnieuw een geheugenspoor gevormd door de pijn van het ingeperkt worden. Als een bakerkind maar dan veel erger vanwege mijn veel grotere vrijheidsdrang. Welke ook de politieke kleur is van de maatschappij waarin ik opgroei, haar basistendens is altijd conservatief. Regels, overtuigingen en wetten willen vooral niet gewijzigd worden.
Ik in een trage wereld.
Ik bevind mijzelf als het ware in een dal met daar omheen de heuvels en bergen van reactionaire krachten, van actieve geheugensporen, van maatschappelijke druk, van sociale verplichtingen, van bacteriën in mijn buik die willen blijven leven. Al deze hellingen zijn in het verleden gevormd. Ik ervaar mijzelf op elk moment als actueel. Iets in mij drijft mij naar zelfrealisatie van dat actuele zelf en dus de helling op, de berg over. Kan ik daarbij mijzelf bewegen of moet ik een manier vinden om door een hogere kracht bewogen te worden? Aangezien een dal ruwweg overeenkomt in vorm met een badkuip: moet er resonantie worden gerealiseerd tussen mij – met mijn massa als een maat voor mijn traagheid – en dat wat mij beweegt? Zodat er maximale energie-overdracht is en ik na enkele keren heen en weer over de rand ga? En wat beweegt mij?
Voortdurende verandering en het streven naar zijn.
Onze wereld wordt gekenmerkt door tijd en ruimte. Binnen die tijd maken de meeste processen een slingerbeweging tussen twee uitersten, wat tot de door ons ervaren dialectische duo’s leidt zoals licht en donker. De aarde draait en dus worden op haar oppervlak licht en duister afgewisseld. Een pup wordt geboren, groeit vrij snel op tot een volwassen hond en zal op een bepaald moment weer sterven.
De mens is anders. In de mens zit er – al is het voor het bewustzijn enkel als een voorherinnering – een eeuwigheidselement. Dat eeuwig bewegen wordt tussen conceptie en geboorte met een materieel lichaam verbonden. De materie is cyclisch, zij beweegt hooguit heen en weer, en traag maar zeker. Uit de interactie van die twee zijnsvormen, die bewegingsvormen, ontstaat bewustzijn. En een weerstand tegen verandering die we geheugen kunnen noemen. Of lerend vermogen. De drang om te blijven leven doet ons sporen maken van hoe we dat het best kunnen doen. Deze drijfveer maakt ook dat we scheef onthouden: negatieve ervaringen blijven veel makkelijker hangen dan positieve. Alsof geluk ons leven niet ten goede verandert.
Traagheid op het pad naar zijn.
In onze kern zijn we eeuwigheidswezens. Thans sterfelijke goden, tijdelijk. Met een diep verlangen naar eeuwigheidswaarden: blijven leven, eeuwig geluk, volmaakte liefde, duurzaamheid, alomvattende kennis. Ons bewustzijn is een deel van de weerstand tussen beide bewegingsvormen, de eeuwige en de schijnbewegingen van de dialectiek, wat een kwestie van identificatie is. Identificeer ik mij met eeuwige wording of identificeer ik mij met het uit herinnering opgebouwde zelfbeeld van deze tegenstellingenwereld? Het loslaten van dit laatste is moeilijker dan het lijkt, is traag. Op basis van de geheugensporen van onze levenservaringen schrijven en redigeren we voortdurend het levensverhaal waarin we zelf de held spelen. Dat geeft onze psychologie een heel grote massa en dus een heel grote traagheid, weerstand tegen verandering, onvermogen om in een nieuwe richting in beweging te komen en te versnellen. F = m*a, met m denkbeeldig groot. Maar gezien de versnelling in de bewustzijnsruimte plaats vindt is die denkbeeldig grote m, de bepalende factor, een massa van denkbeelden. Die onze bewuste ervaringen bevat, onze onbewuste registraties, de gereconstrueerde episodes in ons levensverhaal en dus ons zelfbeeld in ontwikkeling, de inhouden van ons bloed en daarmee ook de erfenisbeelden en -opvattingen van onze stamboom, de collectieve denkbeelden van onze maatschappij, … De som van dat alles maakt ons heel gewichtig in de ruimte van de denkbeelden. Die hele beeldenverzameling, dat museum van mevrouw x of mijnheer y, wordt in stand gehouden met emotionele energie en de scheppingskracht van ons overdenken.


Eeuwigheid

Neem eens aan dat onze kern, het eeuwigheidswezen, zich wil uitdrukken, wil manifesteren. Principieel hoeft enkel de identificatie verschoven te worden van ons denkbeeldige zelf naar dat ware zelf. Praktisch begint het met het aannemen dat de kern er is en belangrijker is dan al het andere. Daarin geloven. Dat maakt een begin van opening in het hele systeem, het dak van het museum laat licht binnen. In dat licht kunnen we onze beeldenverzameling waarnemen, in bewondering en in afkeer. In dat licht kunnen we inzien hoe we onszelf identificeren met een selectie van de werken in het museum. Op basis van dat inzicht kunnen we die identificatie in vraag stellen en eventueel los laten. In overgave aan de kern in ons. Zelfovergave van onszelf aan het zelf. We kunnen ook leren dat een beeldenstorm niks oplevert: hij voert een hoop energie toe in het museum en chaos die het inzien bemoeilijkt. Er is veel meer te leren in dit afleren. Geleidelijk kom je terecht in een andere positie in de werkelijkheid, een nieuwe levenshouding. Neem nu eens aan dat onze kern, het eeuwigheidswezen, zich wil uitdrukken!?

 

Bron:

Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in Pentagram 2019 nr. 3

back to home pdf share