Alhambra Mosaic

Vier interviews over het ware zelf deel 3: Peter Hüseyin Cunz (Soefi-sjeik, Zwitserland)

back to home pdf share

Terug naar deel 2

LOGON: De spirituele weg voert tot het ware zelf. Wat betekent dat ware zelf voor u?

Cunz: Het soefisme is deel van de islam. Wij geloven aan een ruimte- en tijdgebonden dezerzijds, waarvan de tegenhanger het ruimte- en tijdloze generzijds is. Beide horen bij elkaar, zoals de twee kanten van een munt, en God houdt deze munt in zijn hand. De weg naar de verlangde nabijheid van God is dus niet van het dezerzijds in het generzijds, maar met de ene voet in het dezerzijds en met de andere in het generzijds.

Van nature zijn wij in onze eigen substantie (lichaam en fijnstoffelijke ziel) gevangen en voelen ons daardoor slechts half mens. Maar in ons diepste innerlijk – of we het merken of niet – bestaat een verlangen naar verbinding met het generzijds, om heel te worden, om in de eenheid te zijn. Als er een opening naar het generzijds optreedt, dan wordt onze stoffelijke ziel door aldaar wachtende geestkrachten doorstroomd en dienovereenkomstig “geestelijk geaard”.

In het soefisme leren we dat we hoogstens in staat zijn ons een eerste stap voor te stellen. Na deze stap zijn wij veranderd en zoeken met nieuwe ogen naar een volgende eerste stap. Ook wordt ons gezegd dat ieder individu zijn persoonlijk geheim met God heeft, dat voor andere mensen gesloten blijft. Als ik dit bedenk, vraag ik me af, of de hier gestelde vragen ons niet een recept-achtig herhaalbaar proces voortoveren. Kunnen wij ons een “ware zelf” voorstellen, zonder daar al aangekomen te zijn? Wel, de wens om zich te oriënteren is legitiem, en dus zal ik ondanks mijn bedenkingen proberen een antwoord te formuleren .

Wie is de mens, voordat dat ware zelf gerealiseerd wordt?

Is een mens in de omstandigheden dat hij aan zijn basisbehoeften kan voldoen, dan ontwaakt in hem de behoefte om erkenning te bereiken, om daarmee in het centrum van de belangstelling te staan en zich zo comleet te voelen. Hij probeert dat door middel van macht, rijkdoem, beroemdheid of door op een andere manier op te vallen, zoals door zijn kennis en capaciteiten te verspreiden. Maar ook dienstbaarheid, onderworpenheid of een tentoongestelde rol van offerbereidheid kan bijdragen aan deze behoefte aan erkenning. Het natuurlijke streven van de mens is een sterk ikbewustzijn, doorzettingsvermogen en materieel succes om iemand te zijn.

Als dit streven – om welke reden dan ook – leidt tot een desillusie, of wordt overwonnen, dan openen zich de deuren naar een spirituele weg.

Wie is de mens dus? Gaat het om een ontwaken of om een wezensverandering of wat…?

De spirituele weg is geen ontwaken van iets dat al in het dezerzijds slaapt, maar een wezensverandering waardoor het voor de generzijdse geestkrachten mogelijk wordt in de dezerzijdse ziel binnen te dringen. Het is een “sterf en word” – een weg in iets nieuws. Iedere gedachte en ieder gevoel wordt beïnvloed door de naderbijkomende of al aanwezige verbondenheid met het generzijds. Dienovereenkomstig vormen de beslissingen zich tot daden.

Kan men iets zeggen over wie die weg eigenlijk gaat?

Een in het soefisme bekend geworden woord van de Profeet wordt in ettelijke esoterische scholingswegen gebruikt, namelijk: “Wie zichzelf kent, kent zijn Heer.” Daaruit wordt graag afgeleid dat zelfobservatie, zelfcontrole en zelfbewustzijn tot godskennis leiden. Vanuit het oogpunt van de soefi’s is dit hoogstens een nuttig begin van de spirituele weg, want de Profeet zei ook: “Ik ken mijn Heer door mijn Heer.”

“De weg gaan” betekent vanuit het oogpunt van de soefi ten eerste, zichzelf niet serieus nemen. Uiterlijk toont zich dat in bescheidenheid, deemoed en overgave. Dit verlangt van de oorspronkelijk zelfbewuste ziel, dat zij zich overgeeft aan het Hogere en zichzelf daarin opgeeft. Zelf-loos in plaats van zelf-bewust; ont-worden in plaats van iemand willen zijn! Op zoek naar visioenen en verlichting gaat het er nog altijd om, iemand te zijn: “Ik ben met het generzijds verbonden!”

Hoe schat u het belang van de realisatie van het zelf in voor het dagelijks leven? En hoe voor de mensheid in het algemeen?

Wij vertegenwoordigen de mening dat alleen het proces van zich naar het generzijds toewenden nog niet tot het doel voert. Een verbondenheid met het generzijds kan door middel van toepasselijke oefeningen of ook met drugs bereikt worden, zonder het ego te hoeven afleggen. Het generzijds is niet alleen goed: naast de engelen huist daar ook de duivel, voor wie de egoïstische verlangens voedsel zijn! Alleen als alle zieleaspecten van de mens zich samen aan het grotere wegschenken, verdwijnt de ruimte voor egoïsme. Met andere woorden: De waarheid (haqq) verschijnt als totaliteit en niet gedeeltelijk.

De opgave van de religies is een in beschutte sfeer totaal overschrijden van de grenzen van het begrijpen. Een ambitieuze spiritualiteit leidt tot concurrerende half-waarheden, wat voor de mensheid desastreus is. De spiritualiteit van de eenheid is eerder onspectaculair en gaat in kleine stappen. Zoals het Elia overkwam op de berg Horeb (1.Kon.10): “De Heer was niet in de storm, niet in de aardbeving en niet in het vuur. … Maar toen was er een zacht, stil suizelen, en daar was de Heer.”

Hartelijk dank mijnheer Cunz, voor dit interview.

 

Peter Hüseyin Cunz

Peter Hüseyin Cunz, geboren in 1949 in St. Gallen, was tot zijn pensionering als elektrotechnisch ingenieur werkzaam in binnen- en buitenland, zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid. Hij groeide op in een christelijke omgeving, richtte zich later tot de islam en hield zich steeds meer bezig met de mystiek ervan, het soefisme. Toen trad hij in tot de Mevlevi-orde, in de 13e eeuw door de nakomelingen van Celaddin Rumi gesticht (in de volksmond de draaiende derwisjen genaamd). In 1999 werd hem de waardigheid van sjeik binnen deze orde verleend. In deze functie leidt hij groepen van de orde in binnen- en buitenland.

Voor uitgebreide informatie zie https://www.mevlana.ch/en/

Naar deel 4

back to home pdf share