Free

‘Vrij is het rijk van de ziel’, deel 1

back to home pdf share

Men hoeft zijn onrust en treurigheid niet te verstoppen, men moet ze dragen en verdragen, maar men moet zich er niet zo geheel aan overgeven, 1 

schreef Etty Hillesum2 op 11 juni 1942. Het is een prachtig citaat uit haar oorlogsdagboek, dat zeker van toepassing is voor een tijd van crisis, zowel toen als nu.

Niet van ver van de plaats waar Anne Frank haar wereldberoemde dagboek schreef over de onderduik in de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam, werkte een andere Joodse vrouw, Etty Hillesum, tegelijk aan haar Joodse dagboek. Ook dat zou – 35 jaar na de oorlogsverwikkelingen – een wereldwijde bestseller worden. Daar, in het herenhuis aan de Gabriël Metsustraat 6, waar Hillesum zes jaar woonde, deed ze aan haar bureau in de voorkamer van de tweede verdieping in prachtig Nederlands verslag van haar innerlijke groei en van de ingewikkelde, maar uiterst herkenbare gevoelens waarmee een sprankelende Joodse vrouw van achter in de twintig in oorlogstijd geconfronteerd werd. Ze neemt haar doen en laten zelfkritisch onder de loep, schrijft even openhartig over haar seksualiteit als over haar spiritualiteit, over de worsteling met haar verlangens, haar onthechtingen en vooral over haar steeds sterker wordende contact met

dat allerdiepste in mij dat ik gemakshalve maar God noem.

De dagboeken zijn een indrukwekkend getuigenis van een vreugdevol gedragen en tegelijk smartelijk doorleefde groei tot innerlijke bevrijding. Deze reeks van losse fragmenten wordt uiteraard sterk ingekleurd door de macabere achtergrond van bedreigingen en nietsontziende vervolgingen in haar naaste omgeving, waaraan ook zij niet kan ontkomen. Op 30 november 1943 werd Etty Hillesum in Auschwitz omgebracht.

Pas in de jaren tachtig lukte het om Etty’s werk uit te geven. Het trok meteen zowel nationaal als internationaal aandacht. Bij haar postume ontdekking werd de diepgang van haar ervaringen en overwegingen echter nog amper volledig doorschouwd. In de pers werd ze aanvankelijk afgeschilderd als een ‘onorthodoxe’ vrouw die zowel intellectueel als sensueel was, in die jaren kennelijk nog een combinatie die je als vrouw onorthodox maakte. Maar geleidelijk kwam er steeds meer begrip en bewondering voor haar geestkracht in dit antisemitische tijdsgewricht, voor de diepgang van haar gedachtewereld en voor de reikwijdte van haar zieleroerselen. Dat niet alleen; in veel fragmenten uit haar dagboeken herkende men kant-en-klare levenslessen waarvoor pas veertig jaar later de sociale kaders waren gegroeid. En haar hoogstpersoonlijke innerlijke zoektocht naar de onvervreemdbare waarden van het leven – los van enig kerkelijk verband – gaf mede een antwoord op de individualisering en ontzuiling van de maatschappij die zich in de tachtiger jaren onthutsend snel voltrok.

Deze aanvankelijk alleen maar ‘onorthodoxe vrouw’ werd in de loop der jaren alleen maar groter gemaakt en groeide in de achteruitkijkspiegel uit tot ‘de heilige van het Museumplein’ en een vaste waarde in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Werk van Etty Hillesum is 75 jaar na de oorlog in tientallen talen vertaald. En in haar geboorteplaats Middelburg is nu een studiecentrum gevestigd dat via gevarieerde invalshoeken haar werken belicht.

 

In het begin van haar dagboek onthult Etty Hillesum haar levensprogramma:

Ik beloof je dat mijn hele leven een streven zal zijn om tot die schone harmonie te komen en ook tot die deemoed en werkelijke liefde, waartoe ik de mogelijkheid in mijn beste momenten in me voel.

Daadwerkelijke liefde staat hier tegenover de liefde die voortkomt uit egocentrisme, die wederliefde verlangt en verwachtingen heeft. Daadwerkelijke liefde is echter niet gebouwd op wederkerigheid maar op deemoed en kent daarom geen verwachtingen. Daadwerkelijke liefde is liefde van, voor en door de ziel. Maar in de benarde situatie waarin ze verkeert, ontmoet haar zielestreven nog veel voetangels en klemmen:

Ik heb nog geen grondmelodie. Er is nog niet één vaste onderstroom. De innerlijke bron waaruit ik gevoed word, slibt altijd weer dicht en bovendien denk ik te veel.

Maar hoe intenser en vernederender haar ervaringen worden, hoe sterker haar inzichten en zielekracht groeien:

Om te vernederen zijn er twee nodig: degene die vernedert en degene die men wil vernederen en vooral: die zich láát vernederen. Ontbreekt de laatste, dus: is de passieve immuun voor iedere vernedering, dan verdampen de vernederingen in de lucht.

Geleidelijk is ze geen toeschouwer meer bij haar groeiproces maar weet ze zich blijmoedig te vereenzelvigen met haar geestelijke rijping die ze aan haar schrijftafel ‘de beste plek op aarde’ – beeldend formuleert. Deze zoektocht naar haar ‘diepste diep’ krijgt de centrale plaats in haar leven en ze laat zich daarvan door niets afhouden, ook niet door haar veelbewogen, subtiel beschreven ervaringsweg met twee mannelijke liefdespartners die ze vrijwel synchroon aflegt.

Een slordig bureau, vol boeken en papieren, dat van mij alleen is, zal ik altijd weer verkiezen boven het ideaalste en meest harmonische huwelijksbed.

Het bureau als de plek waar voor haar het mysterie is, de plek waar we meer vernemen dan we zelf zijn. Het doet onwillekeurig denken aan Lao Zi:  

De wijze woont altijd op de juiste plaats. 3

Uiteindelijk kan ze nuchter getuigen van de daadwerkelijke liefde en laait de vlam van haar zielevuur door alle vijandschap heen. Ze observeert een Gestapo-officier die haar hardvochtig terechtwijst en kan begrip en onpersoonlijke liefde voor hem opvatten.

Want dat is de enige manier om vertrouwen in de mensheid en in de toekomst te houden…

 

Etty Hillesum is al jong uiterst belezen en laat zich in haar ‘queeste’ steunen door tal van bekende boeken, dichters, schrijvers en filosofen, die ze bijna liefkozend haar ‘edelste geesten’ noemt. In willekeurige volgorde: de Bijbel, Vestdijk, Van Eeden, Verwey, Dostojewski, Poesjkin, Rilke, Jung, Schubart, Buber, de evangelist Mattheüs, de apostel Paulus, Thomas a Kempis en Franciscus van Assisi. Ze citeert ze, maakt zich in veel gevallen hun zielewereld eigen en voert ons bijna ongemerkt zó haar geestelijk Pantheon binnen dat we – lijkt het wel – buiten plaats en tijd komen.

 

De Bijbel had ze als het ware steeds naast haar op het bureau liggen. Mattheüs was duidelijk haar meest geliefde evangelist. Hoe meer het tijdstip naderde van de dramatische afloop van haar verblijf in Amsterdam, hoe meer ook Mattheüs voor haar een brandpunt werd van Christus’ wijsheid en vertroosting in haar duistere wereld. Het hernemen van Mattheüs moet voor haar dan ook een steun geweest zijn in haar steeds nijpender wordende situatie.

Daarom zeg ik u: zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding?

Zijt gij dan niet bezorgd tegen de morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. 4

Ook Paulus haalt ze aan met de bekende zin:

En wat baat mij alles, als ik de Liefde niet heb. 5 

Ze past deze zin toe op de komst van haar vader Louis, de volgende dag.

Een schat van een theorie om jezelf een behaaglijk en edel gevoel te geven maar voor de kleinste daad van liefde in de praktijk schrik je terug. Nee, dit is geen kleine daad van liefde. Het is iets heel principieels en gewichtigs en moeilijks. Innerlijk je ouders lief te hebben. Dat wil zeggen te vergeven voor al de moeilijkheden, die ze je, alleen al door hun bestaan, hebben aangedaan: aan binding, aan afkeer, aan de belasting van hun eigen gecompliceerde leven, toegevoegd aan je eigen, toch ook al moeilijke leven.

Via haar vader, die classicus en rector was op het gymnasium in Deventer, de bakermat van de Nederlandse spirituele vernieuwingsbeweging De Moderne Devotie, kan Etty op het spoor zijn gekomen van de Nederlandstalige monnik Thomas à Kempis (1380-471). Met diens – naar men zegt – na de Bijbel meest gelezen boek ter wereld, De Navolging van Christus, is hij het boegbeeld geworden van die oer-Nederlandse beweging. Etty citeert Thomas als volgt:

Hoe meer een mens onverdeeld van hart en innerlijk eenvoudig is geworden, des te meer en des te hoger zal hij zonder moeite verstaan omdat hij van boven het licht der kennis ontvangt.

Met andere woorden: het innerlijk dient niet versnipperd en gericht te zijn op veel dingen buiten zichzelf maar geconcentreerd op één doel: het eenpuntig horen van God of de gnosis.

Vader Louis is aan het begin van de oorlog vanwege zijn Jood-zijn hardvochtig door de bezetter uit zijn ambt gezet en heeft bij zijn gedwongen terugtreden een aangrijpende, historische toespraak gehouden voor alle leerlingen en collega’s. Die beëindigde hij met de woorden van de Deventer-voorman van de Moderne Devoten, Geert Groote:

Voor alle dingen dunct mi goet, dat ghi geestelike blide sijt.

(Voor mij gaat boven alles dat gij in geestelijk opzicht blijmoedig bent.)

Hier doet zich een opvallende spirituele parallel voor met dochter Etty. Ook zij probeert haar innerlijke vrijheid en blijmoedigheid te bewaren tegen alle onderdrukking in. Die tintelende opgewektheid ontlenen beiden aan een krachtig zieleleven. En wie uit de ziel leeft, weet dat het licht in de duisternis schijnt, getuigen zij allebei. Hier dringt zich de beroemde, eerste zin uit De Navolging van Christus  6  op:

Wie mij volgt, wandelt niet in duisternis.

 

Wordt vervolgd in deel 2

  • 1. Etty Hillesum, Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum (1914-943), Uitgeverij Balans 2014
  • 2. Meer over Etty Hillesum is te vinden in het symposiumboekje Licht tegenlicht (Haarlem 2012).
  • 3. E. Nooyen, Mysteriën van Tao en de Daodejing, p. 100, Rozekruis Pers, Haarlem 2016
  • 4. Mattheüs 6:25
  • 5. Paulus, Korintiërs 13: 3
  • 6. Thomas à Kempis, De Navolging van Christus, eerst opgesteld in het Latijn 1418-1427
back to home pdf share