Slavic art/soul

‘Vrij is het rijk van de ziel’, deel 2

back to home pdf share

Naar deel 1

De Oostenrijkse dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926) ligt Etty1 zeer na aan het hart2. Ze beschouwt hem als een permanente reisgezel, een gezel voor het leven die immer vertroosting biedt. Dat maakt ze duidelijk aan een vriendin die geleidelijk minder enthousiast over hem is geworden:

Van Rilke kun je niet ‘terugkomen’, als je hem werkelijk goed gelezen hebt. Wanneer men hem niet gedurende een heel leven met zich meedraagt, heeft het überhaupt geen zin om hem te lezen.

Mogelijk had ze daarbij het volgende citaat van Rilke voor ogen:

Er bestaat in het leven geen beginnersklas,

het is altijd meteen het moeilijkste wat er verlangd wordt.

Ze citeert hem uit Briefe an einem jungen Dichter 3,

dat als brieven aan een jonge ziel uitgelegd kan worden. In werkelijkheid schreef Rilke deze brieven aan een jonge, ambitieuze dichter die hem om raad had gevraagd.

Gevoelens zijn rein wanneer ze u tot eenheid maken en opheffen; onrein is het gevoel dat alleen maar één kant van uw wezen belicht en u zo vervormt. Alles wat ervoor zorgt dat u meer wordt dan u tot nu toe in uw beste momenten was, klopt. Elke intensivering is goed als ze in uw héle bloed aanwezig is, wanneer ze geen beneveling of vertroebeling is, maar vreugde waarbij men naar binnen kan kijken, helder tot op de bodem. Begrijpt u wat ik bedoel?

Even verder vinden we een tekst die Etty Hillesum enorm aangesproken moet hebben:

Heb geduld met alles wat in uw hart nog niet tot oplossing is gekomen.

Probeer de vragen zelf lief te hebben als voor u niet toegankelijke kamers

en als boeken die in een volkomen vreemde taal zijn geschreven.

Zoek niet naar antwoorden die u niet gegeven kunnen worden,

omdat u niet in staat zou zijn ze te leven.

Het gaat erom alles te leven.

Leef nu uw vragen.

Misschien leeft u dan gaandeweg, ongemerkt, op een dag het antwoord binnen.

 

Een opvallende parallel tussen Etty Hillesum en Rilke is dat ze Rusland als hun tweede vaderland zagen. Bij Etty is dat niet zo verwonderlijk. Zij had een speciale band met de Russische literatuur door haar Joods-Russische afkomst van moederszijde en door haar studie slavistiek in Leiden en Amsterdam, Ze sprak van huis uit ook een beetje Russisch en werd door haar medestudenten als een ‘typisch Russische vrouw’ ervaren: nu eens uitbundig, dan weer bedrukt; nu eens warm en dan weer afstandelijk, nu eens zeer toegewijd en dan weer chaotisch. 

Etty’s voorliefde voor de Russische cultuur leidt tot opvallende verbindingslijntjes, bijvoorbeeld via de minder bekende, door haar geciteerde Russische auteur Walter Schubart (1897-1941). Hij schreef het boek De koomende Europeesche mens waarin hij kritisch is over de ontwikkelingen in Europa en die vergelijkt met de situatie in Rusland. De Europeaan is (te veel) zakenmens geworden, de Rus is een zielemens. Bij Europeanen zijn gemeenschappelijk belangen een bindende factor; de Russen zijn door menselijkheid met elkaar verbonden. Het is typisch voor de Prometheus-cultuur – bedoeld is de westelijke – dat zij de dingen wezenlijker acht dan de zielen. Europa is de zetel der zakelijkheid; Rusland het vaderland der ziel. Aldus een absoluut niet volledige weergave van Schubarts denkpatronen.

Sommige teksten van Schubart zijn door Etty geparafraseerd weergegeven, bijvoorbeeld deze:

Verschrikkelijker dan het godsgericht is het gericht dat de mensheid die zich van God heeft afgezonderd, over zichzelf houdt.

Etty lijkt via de tekst van Schubart te willen zeggen dat het Westen de relatie met God kwijt is en daardoor vervalt in materialisme en egoïsme. Het Westen is daardoor ook de bindende kracht binnen de samenleving kwijt. De Russische mens staat daar lijnrecht tegenover en bezit in zijn ziel een vanzelfsprekende band met God.

Vermeldenswaard is dat dit boek van Schubart intensief gelezen moet zijn door Jan van Rijckenborgh, een van de oprichters van de Geestesschool van het Gouden Rozenkruis. In het exemplaar dat we in handen hadden, staat voorin zijn ex libris en zijn grote stukken tekst met potlood en liniaal onderstreept. Van Rijckenborgh doet dat vooral bij alinea’s die gaan over de westerse ‘Prometheus-mens’. Er zijn geen overeenkomsten met de citaten van Etty Hillesum. Het is niet ondenkbaar dat De koomende Europeesche mensch van Schubart hem geïnspireerd heeft toen hij een titel bedacht voor een nieuw standaardwerk in de geestesschool: De Komende Nieuwe Mens4.

Etty was zeer gesteld op haar docenten Russisch. Toen de door haar bewonderde slavist en neerlandicus Nicolaas van Wijk plotseling overleed, was ze volledig van slag. De Russisch-orthodoxe afscheidsdienst was de enige kerkelijke eredienst die ze ooit bijwoonde en deze maakte grote indruk op haar. Maar toch voelde zij zich bevestigd in haar overtuiging dat haar weg die van een Alleingang moest zijn en los moest staan van welke groepering dan ook. Ongetwijfeld zal ze hierbij troost hebben gevonden bij Rilke:

En als wij weer over eenzaamheid praten, dan wordt steeds duidelijker dat dit in wezen niet iets is wat je kunt uitzoeken of nalaten. Wij zijn eenzaam….

Een speciale band had ze met haar nieuwe leermeester Bruno Becker, van wie ze in het klasje van de gevorderden mocht aansluiten. Becker? Was dat niet de man die in 1913 uit Sint-Petersburg naar Nederland kwam om in voortreffelijk zestiende-eeuws Nederlands duidelijk te maken dat de filosoof en theoloog Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590) in Nederland ten onrechte onder het stof was geraakt? Hij is een warm pleitbezorger en pionier van de Coornhert-studie in Nederland geworden. Coornhert kreeg van hem het onafscheidelijke predicaat mee: ‘apostel van de volmaakbaarheid’.

Coornhert was Beckers levenstaak en het docentschap Russisch deed hij er om economische redenen bij. Etty zag steeds uit naar zijn colleges, waarin hij hoge eisen stelde aan haar en haar naar Russisch gebruik met haar voornaam en de voornaam van haar vader noemde: Esfira Lyudwigovna.


 

Het rijk van de ziel kent geen grenzen! Etty Hillesum voert er haar lezers moeiteloos heen. Het gaat haar daarbij zeker niet alleen om overdenking, gebed, geestelijk zonnebaden of meditatie. Zij beseft: alles krijgt pas echt waarde door daadkracht, wat fraai wordt uitgedrukt door het woord dabar, dat in het Hebreeuws zowel woord als daad betekent. Op 13 oktober 1942 schrijft ze:

Wanneer die inzichten, die ik me achter m’n bureau, in omgang met de edelste geesten, verover, niet doordringen tot in de kleinste dingen van het dagelijkse leven, wanneer niet iets van het grote besef over menselijke waarden… doordringt, dan heeft dat geestelijke leven geen zin.

Ze was een onvermoeibare godzoekende. Maar waar zoeken vinden wordt, besefte ze dat God zich pas vinden laat als het gaat om pure levensdaad in klare handeling. Haar misschien wel mooiste citaat laat hierover niets aan duidelijkheid te wensen over:

Gij kunt zelf ook niets, mijn God. Het is aan ons om u handen en voeten te geven en daarnaar te handelen.

Daarmee zijn we heel dicht bij die unieke tekst van een mannelijke tegenhanger van Etty Hillesum, de Joodse denker Martin Buber (1878-1965):

God wil niet dat we in hem geloven,

wil niet dat we over hem debatteren,

wil niet door ons verdedigd worden –

hij wil slechts door ons verwerkelijkt worden.

  • 1. “Veel mooie woorden Etty Hillesum en haar boekje Levenskunst” (R. van den Brandt en P. Nissen, red.), Hilversum 2017
  • 2. F. Grimmelikhuizen, Etty Hillesum leest Rainer Maria Rilke, 4e druk, Deventer 2015
  • 3. Rainer Maria Rilke, Brieven aan een jonge dichter, Uitgeverij Balans 2012
  • 4. J. van Rijckenborgh, De komende nieuwe mens, Rozekruis Pers, Haarlem 1999
back to home pdf share