Labyrint

Waargenomen werkelijkheid – Deel 1

back to home pdf share

Een dieprood eikenblad vangt de stralen van een late herfstzon. Even is er een diepe zucht van de wind. Het blaadje laat los van de tak, wordt een eind meegenomen en schommelt dan op de wind naar beneden. Ik heb vast te veel film gekeken en hoor een diepe basdreun als het blaadje zich op de aarde vleit. Dit is een klein tafereeltje van zien, van kleur en beweging en van een geassocieerd geluid dat uit een andere herinnerde context komt. In mijn hoofd waargenomen werkelijkheid en nog iets meer! Een werkelijkheid, twee kijkende ogen en een  herinnering. En alles speelt zich af in mijn brein. En ik, ik ben me daarvan bewust.

 

Brein

Ons brein kun je zien als het complexe geheel van de hersenen, het zenuwstelsel en de zintuigen. Als we in evolutietermen denken, is het brein ontstaan en doorontwikkeld omdat het de mens in wording uitstekende overlevingskansen bood.

Ik

Het brein heeft een binnen en een buiten. Het binnen is vreemd ongrijpbaar: wie ben ik, de waarnemer en denker in die hersenen? Dat ‘ik’ staat via het brein en het ruimere lichaam in interactie met het buiten. Dat ‘ik’ kent echter slechts een klein deel van het binnen. Het is zelf als een emergente eigenschap – iets wat boven komt drijven en zijn oorsprong overstijgt – ontstaan uit primair de verwerking van zintuiglijke input, secundair het denken over die al dan niet verwerkte input en ten derde: het denken over zichzelf als denker. Dat is nogal wat!

Uit die drie niveaus van informatieverwerking ontstaan denkbeelden als: ik met mijn lichaam in een werkelijkheid met de dimensies ruimte en tijd. En gedachten als: wat heb ik toen toch gedaan? En: ik ben me toch een dommerik. En: wat kan ik morgen doen om mijn eega gelukkig te maken? Denken doen we in de tijdsdimensie. Ik ervaar mezelf als een mogelijk evoluerende continuïteit. Dat leidt tot vragen als: waarom besta ik, zelf, en waarom bestaat de werkelijkheid die ik waarneem? Mijn brein opereert dus van heel concreet tot heel abstract.

Zien

Hoe werkt de primaire beeldvorming, het zien? Interessant daarbij is dat zien geen vast gegeven is van licht dat door een lens op een ‘film’ valt, maar blijkt te ontstaan uit een ontwikkeling: we doen als nieuwgeborene pogingen om een samenhangend beeldverhaal te maken uit zien, bewegen – wat we zowel zien als van binnenuit in het lichaam voelen – en aanraken als voelen van buiten en soms ook horen of waarnemen met de andere zintuigen.

Een model van de wereld

Vanaf onze prilste indrukken vormt zich zo in ons brein een model van de wereld, met in die wereld wij zelf. Het is dit model van de wereld dat voortdurend evolueert op basis van het toetsen van het model, van de topo-kaart, aan de nieuwste waarnemingen, de meest recente zintuigelijke input uit het land daarbuiten. De verbindingen tussen de hersenen en bijvoorbeeld de ogen functioneren heel intensief in beide richtingen. De hersenen zenden informatie naar de thalamus, de ogen nemen waar, de thalamus bepaalt het verschil tussen de informatie aangevoerd uit de hersenen en dat wat nieuw binnenkomt via de ogen en stuurt dat verschilsignaal voor verwerking naar de hersenen, de cortex. Zien, de visuele cortex, gebruikt ongeveer een derde van het hersenvolume en zoals elke hersenwerkzaamheid vergt het gigantisch veel energie. De hersenen bestaan om het hele organisme waar zij deel van uitmaken zo succesvol mogelijk in leven te houden. Succesvol betekent onder andere met een zo efficiënt mogelijk gebruik van de energie die we als chemische energie aan voedsel onttrekken. Onze buik als een energiecentrale…

De hersenen zullen het proces van zien en kijken dus zo sturen, dat we maximaal nuttige informatie verwerven om ons veilig door de omgeving te kunnen bewegen. Vandaar die verschilwaarneming in plaats van een voortdurende volledige filmopname. In datzelfde streven naar efficiëntie zullen de hersenen bovendien zoveel mogelijk algoritmen die het organisme aansturen automatiseren, opslaan als subroutines, als afloopschema’s die in verschillende combinatie telkens weer gebruikt kunnen worden. Denk aan de ‘app’ in jouw brein om te fietsen. Bewust denken, wat heel veel energie vergt, komt daar nauwelijks nog aan te pas. Beroepssporters hebben door intensief oefenen routines opgeslagen om bijvoorbeeld een met een snelheid van 160 km per uur aanstormende tennisbal te zien en terug te meppen daar waar de speler hem hebben wil. Of in formule 1 met 22 coureurs met 330 km per uur naar de volgende bocht te racen.

Tijd

Een interessant aspect van waarneming is het synchroniseren van de zintuigen, het omgaan met tijd. Informatie van de oren vraagt minder verwerkingstijd dan informatie van de ogen; vandaar dat sprintwedstrijden starten op een startschot. Als we met onze vingers knippen, zorgt ons brein ervoor dat de waarnemingen van beweging, voelen, zien en horen worden gesynchroniseerd, hoewel de signalen op een verschillend tijdstip binnenkomen. Synchronisatie gebeurt hier letterlijk in een vingerknip!

Kleur

Hoe zien we in kleuren? De wereld om ons heen is een geheel van elektromagnetische velden, bronnen van straling; direct als bron of indirect door weerkaatsing van een deel van het opvallende licht. Van de straling die in ons oog op het netvlies valt, kan een heel precies deel volgens golflengte omgezet worden in elektrochemische signalen die richting hersenen gaan, de visuele cortex. Deze informatie, of de verandering van deze informatie, wordt dan gebruikt om de gewaarwording van de verschillende kleuren over ons wereldbeeld te leggen. Een volgende laag in het wereldmodel wordt daar dan weer overheen gelegd en bevat de specifieke geïnterpreteerde waarneming van beweging en positie, verwerkt in twee gespecialiseerde delen van de visuele cortex.

Samenvattend

Ik zit in mijn hoofd als een bewuste waarnemer van mijzelf in de wereld. Mijn wereldbeeld wordt echter in overweldigend grote mate bepaald door de informatie die reeds in mijn hersenen is opgeslagen uit eerdere waarnemingen, uit levenservaring. Dat opslaan heeft richting gekregen uit de processen die gevoelsmatig in de hersenen een indicatie geven over de vraag of wat er binnenkomt bijdraagt aan overleven – beloning – of daarentegen overleven in gevaar brengt – geen beloning. Denk aan het gelukshormoon dopamine dat daarin een signaalfunctie vervult. Er vindt een prioriteitsstelling plaats.

Keuzes maken we op basis van onze emoties. Dat is: het waarnemen, het voelen van spanningstoestanden in ons lichaam, die ontstaan in reactie op binnenkomende informatie, meestal voordat er enig denken aan te pas komt. Deze informatieverwerking vindt plaats in de oudere, primitievere en snellere delen van het brein. Hun adagium: eerst en vooral overleven!

Interessant is de impact van chemische elementen/biochemische elementen op de informatieverwerking in het brein. Een kleine variatie in de chemie van het bloed, en dus in de chemie van de hersenen, heeft een grote invloed op zowel onze emoties als op onze perceptie. En dus op het beeld van ik en de wereld. Je kan bijvoorbeeld denken aan het suikergehalte in je bloed – hoe helder ben je na een flink stuk slagroomtaart? – of aan alcohol.

Bewustzijn

Tot hier zag u enkele elementen van brein-in-werking en onontkoombaar subjectieve waarneming, met als voornaamste conclusie dat de ‘autobiografie’ heel erg bepalend is en de momenten van waarneming aan elkaar breit. Daaraan ontlenen we een besef van zelf, een ik-bewustzijn in de wereld.

Dat bewustzijn gebruikt zijn hogere hersenfuncties ook om na te denken over zichzelf in tijd en werkelijkheid. Door culturele ontwikkeling  is de mens inmiddels zover dat een aantal individuen reflecteren over doelen die buiten tijd en ruimte liggen. Het menselijke denken heeft zich tot in een spirituele dimensie ontwikkeld, en in die spirituele dimensie een eigen taal die afwijkt van het wetenschappelijk taalgebruik. De spirituele taal biedt de mogelijkheid te denken voorbij de grens. Zij vertrekt van de lichamelijkheid van de mens en specifiek van de hersenen en de organisatie van het hoofd. Maar van daar beweegt zij in haar denken hoger, terwijl de neurowetenschappers in hun taal- en denkwereld naarstig op zoek zijn naar de aard en de ontstaansmechanismen van het bewustzijn van de mens op evolutiebasis, met hardnekkige ontkenning van een nog ongekende invloedfactor die buiten het functionele hoofd gelegen zou zijn.

Wordt vervolgd in deel 2

back to home pdf share