Berggipfel

Wie denken wij wel dat wij zijn?

back to home pdf share

Het minder worden van het ‘ik’ ten gunste van het ‘wij-gevoel’ wordt ten tijde van een lockdown als sociaal wenselijk ervaren. Maar cultureel kan dat juist als een stap terug in de individuele vrijheidsbeleving worden aangemerkt. Zijn we eigenlijk wel ‘rijp’ genoeg om ons ik ondergeschikt in dienst van een ziel te stellen die aan een universeel menselijk wij-gevoel verwant is?

Werden alle Menschen Brüder [1] door het terugtreden van ons ‘ik’ op basis van angst voor de risico’s voor de volksgezondheid? En op basis van een gecontroleerde samenleving?

De bestaande ‘wij-culturen’ stammen vaak nog uit een verzuild verleden en opgeleefde orthodoxe geloofssystemen. Het zijn culturen waarbinnen velen gewend zijn zich met iedereen uit zijn clan/stam te mogen bemoeien. Een grote sociale controle kan daarvan uitgaan. Tegelijk gaat het ook om culturen waar men voor elkaar zorgt en geen min of meer afgedwongen mantelzorg nodig lijkt. Het is dan ook niet geheel juist om deze culturen ‘achterlijk’ te noemen.

Wij-culturen in bredere zin staan opnieuw in de belangstelling, omdat ik-culturen dreigen dood te lopen in individualisme met de eenzaamheid van bezit (bezit van de zaak is het einde van het vermaak zegt de volksmond), zelfzucht in afgescheidenheid, triomf en trots ten koste van derden.

De Tweede Berg

De Amerikaanse schrijver/columnist David Brooks beschrijft in zijn boek De Tweede Berg [2] hoe we ons als mens van de ik-cultuur te veel richten op succes, prestaties, aanzien, op ons ik derhalve. Hij noemt dat die gerichtheid de ‘eerste berg’ met als beloning kortstondig geluk.

Terwijl ‘de tweede berg’ gaat om relaties, compassie, gemeenschappen. Kortom, de vorming van een ‘nieuwe’ wij-cultuur, ook voorbij wat de twintigste eeuw te zien heeft gegeven.

David Brooks stelt dat op die tweede berg

onze zielen zachtjes gaan gloeien en we vreugde ervaren.

Op de ‘eerste berg’, die van de ik-cultuur, zijn we zo autonoom geworden dat we de verbinding met de ander zijn kwijtgeraakt:

Een soort onzichtbaar harnas dat ons opgedrongen wordt onder het mom van autonomie en vrijheid. Dat begint steeds meer te knellen en je ziet dat meer en meer mensen daar afstand van willen nemen,

aldus  psycholoog Paul Verhaeghe [3].

Voor David Brooks betekent het dat we naar een ‘toegewijd’ leven gaan, een nieuw wij-gevoel, een post-ik-tijdperk-wij-cultuur. En zo zouden we de Tweede Berg, de ware berg, kunnen bestijgen. Maar hoe hou je het ‘nieuwe’ wij vrij van nieuwe conflicten, wanneer je je bijvoorbeeld verbindt met een enthousiaste nieuwe groep op idealistische niet-ik-motieven gegrondvest? Immers de keerzijde van een nieuw ‘wij-gevoel’ kan een gemakkelijke voedingsbodem zijn voor een ‘zij’ dat daartegenover staat.

David Brooks waarschuwt voor een ‘stammenstrijd’: je aansluiten bij een partijdige stam is niet direct het aangaan van een volwassen relatie: ‘Stammenstrijd is de donkere tweelingbroer van de gemeenschap,’ zo geeft hij aan. En je kunt je dan afvragen wat nog het verschil is met de orthodoxe gemeenschappen van weleer en ook nog van nu.

Pijnlijke confrontatie

Het leven binnen de keurige lijntjes van de morele codes en voortgedreven door sociale controle van weleer heeft velen doen beseffen dat er ook een verstikkende saamhorigheid was tijdens de naoorlogse wij-cultuur. De opmars van het individualisme vanaf de jaren zestig was daar een reactie op met de roep om vrijheid. En daar komen we nu als het ware van terug: David Brooks geeft aan dat wanneer persoonlijke, sociale en emotionele vrijheid een ultiem doel wordt, het dan volstrekt gaat falen omdat ‘goed leven’ draait om commitment.

Dus wanneer we tot de conclusie kwamen:

Ik bepaal zelf wel met wie ik trouw, of ik het huis uit ga om te studeren, hoe ik me kleed, met wie ik omga; ik wil vrij zijn in dit alles, niet gecontroleerd, via mijn ouders, door de gemeenschap,

dan hebben we gemerkt dat het nastreven van die vrijheid pijnlijk kan zijn wanneer het een confrontatie wordt – door de onverenigbaarheid van wij-cultuur en ik-cultuur: de wij-cultuur ging samen met geborgenheid, angst en schaamte, de ik-cultuur met een niet-adequate vrijheidsdrang, uitmondend in een ‘vrijheidsdwang’ tot zelfontplooiing. Wordt die zelfontplooiing een ultiem doel, dan kan dat op veel fronten ontwrichtend uitwerken voor natuur, wereld, medemens, waarbij de ‘roofbouw-economie’ van de laatste drie decennia als een katalysator werkt.

De harmonisering van de ‘onverenigbaarheid’ vraagt om een nieuwe ‘wij-cultuur’, het bestijgen van de  Tweede Berg, waarbij zoveel valkuilen (zoals nieuwe stammenstrijd, kleffe saamhorigheid) bestaan, dat er (bezint eer ge begint) vooraf veel meer duidelijkheid moet zijn over wie wij wel denken dat wij zijn.

Het vraagt om bedachtzaamheid in een tijd die geregeerd wordt door emoties: we leven als het ware in een ‘emocratie’, waarin de vormingskracht voor zo’n nieuwe wij-cultuur z’n energie mede ontleent aan hypes en sterke prikkels via de schermwereld en via buitenproportionele, draconische maatregelen tegen dreiging van een gezondheidswereldramp. Daardoor is het voornamelijk ‘angst’ die die energie voor een nieuwe wij-cultuur kan leveren.

En hoewel angst een motivatie zou kunnen zijn voor de ware zelfontplooiing, is de energietrilling ervan meestal te laag om tot vernieuwing in de richting van een uitstijgende wij-cultuur te komen.

Het besef van ‘wie wij zijn’ is belangrijker dan ooit om een noodzakelijk nieuwe wij-cultuur te kunnen beleven. Wij denken te weten wie wij zijn als we aangeven dat het uiteindelijk de bedoeling is van het mens-zijn te leren liefde voor alles en allen te ontwikkelen, het ego en de angst te overstijgen, zonder zich opnieuw te laten knevelen in geestelijke onvrijheid.

Het ‘veld van zijn’ is veel directer, slaat als het ware het stadium ‘wie denken wij wel dat wij zijn’ over door het besef dat we allen goddelijke wezens zijn die hier een ervaring als mens hebben. En niet zozeer mensen die goddelijke wezens gaan worden.

Daarom is er een ‘nieuwe-tijds’-ontwaken mogelijk, besef van de god-in-ons die we werkelijk zijn. Daarom durven sommige jongeren te zeggen: ‘Ik ben al gerealiseerd.’

Wat is dan de verhouding met die ‘ik-cultuur’ van weleer? Uiteraard het ontbreken van streven naar macht, bezit en aanzien. Maar verrassend genoeg óók het afscheid van de ik-drang tot perfectionering. Omdat perfect zijn vanuit het ik een bescherming is tegen het beschikbaar zijn van de oeremotie van de god-in-ons. Vaak gaat de drang tot perfectie samen met vaste patronen van vakmanschap, van ‘zeker weten’. Maar vakmanschap dient vooral het kunnen reproduceren. Het reikt niet de ziel aan die met ‘zijn’ verbindt, Vooral kunstenaars ervaren dat.

Als het uitgangspunt is ‘minder ik, meer wij’ gaat dat samen met meer creatieve vrijheid, meer durfkapitaal voor de ziel, meer investeren in ‘zijn’. Je moet dan de patronen durven loslaten, erop vertrouwen dat de universele eenheid van mensen al bestaat, dat alle Menschen Brüder werden en dat die tijd al is aangebroken. Eigenlijk is dat een wij-cultuur, die niet nog gecultiveerd hoeft te worden, maar die in essentie (letterlijk) al aanwezig is.

Dat onze zielen zachtjes gaan gloeien en vreugde mogen ervaren!

 

Bronnen:

[1] Alle Menschen werden Brüder, Friedrich Schiller Ode an die Freude  in 9de symfonie van Ludwig van Beethoven

[2] David Brooks, De tweede berg -De zoektocht naar een zinvol leven, Nederlandse vertaling, Spectrum 2020

[3] Interview Paul Verhaege, Trouw, July 2020

[4] Christiaan Weijts, Wie denken wij wel dat wij zijn?, NRC 25 july 2020.

[5] Christina von Dreien, Bewustzijn schept Vrede, Govinda 2020

back to home pdf share