Brücke

Zonder woorden?

back to home pdf share

Onder de vele illusies waaraan wij ons overgeven – soms omdat ze ons verlichting brengen, soms ons even doen stilstaan, soms ook alleen maar een welkome afleiding vormen – schijnt mij het idee van identiteit de grootste illusie. Omdat bij een ‘ik ben’ altijd tegelijk ook een ‘niet jij’ meedenkt.

En toch ben ik in diepste wezen niet gescheiden, maar een deel van alles wat ik kan waarnemen. Ik gebruik de taal om onderscheid te maken, want het is mij niet mogelijk om de werkelijkheid te begrijpen zoals ze is: een symfonie van miljoenen stemmen, een schepping uit veel verschillende vormen, maar in wezen een ondeelbare, levende eenheid.

 

De taal is het kompas dat ons helpt om in de wereld van de vorm onze weg te vinden. Maar als de vorm verdwijnt, gaan ook de woorden grotendeels verloren. Daar, in de stilte, ben ik puur zijn, een toon in het orkest van het universum, een klank in de samenklank.

Maar hier, aan deze zijde van het ‘zijn’, ben ik een sprekend wezen dat met ieder woord dieper in het bedrog verstrikt raakt. Ik ben niet gewoon zomaar iemand, maar een bepaald iemand. En dit ik ervaart zich als gescheiden van jou, lezer, van de mensheid, van het universum. Ik ervaar mezelf als iemand die zich met bepaalde eigenschappen identificeert en andere afwijst.

Met mijn woorden bouw ik bruggen, zodat anderen mijn identiteitseiland kunnen betreden. Maar mijn woorden zijn ook het water, dat jou en mij voor onbepaalde tijd scheidt.

Ik sta in afgrenzing tot allen, een eenzaam eiland, steeds bezorgd om mijn rang en aanzien. Ik ben mooi, jong en verstandig. Mooi is niet lelijk, jong is niet oud, verstandig is niet dom. Mijn identiteit is de grens die ik om mijn bestaan heentrek, om het beter te kunnen begrijpen. Ik heb dit onderscheid nodig om mij niet in de oneindigheid van mogelijkheden te verliezen. Ik moet toch weten wie ik ben en waar ik sta, of niet soms?

Onze gemeenschappelijke werkelijkheid is een werkelijkheid van onderscheid. Ik sluit verbondjes met gelijkgezinden en samen bouwen we vestingen om ons te beschermen tegen andersdenkende mensen. Wij voelen ons zeker in het bekende, het vertrouwde – en bedreigd door het onbekende, het vreemde. Binnen deze luchtbel van gelijkgezinden heb ik mij een werkelijkheid geschapen die niet meer is dan een kleurnuance van de regenboog. Maar voor mij is het het hele universum. Steeds opnieuw verwissel ik het blauw of rood of geel met de schittering van het witte licht van de waarheid, en ik loop op deze aarde rond met getinte brillen, de een soms helderder dan de ander, maar geen enkele biedt helder zicht. In mijn ‘ik-zijn’ ben ik kortzichtig, mijn bril beslagen, mijn zicht onscherp.

Over de kist en het ik-ben

En toch, in mijn hart, in het IK voorbij de persoonlijke identiteit, is mijn werkelijkheid grenzeloos, ben ik grenzeloos. Maar voor deze werkelijkheid heb ik geen woorden. Een onbekend gebied van een-zijn; hoe zou ik daarover kunnen spreken?

Met mijn woorden en gedachten heb ik een vesting gebouwd waarin ik het oneindige heb opgesloten. In de dwangbuis van door mensen gemaakte concepten heb ik de grenzeloze heerlijkheid van mijn ziel teruggebracht tot één woord, een kalenderspreuk, een concept, over het begin en het einde waarvan ik druk speculeer met geestelijk gelijkgezinden. Concepten zijn de gevangenis van de ziel. Het eeuwig nieuwe, het zich steeds veranderende, verstart in de klank van een woord. Alleen de klank, de toon, het ongezegde in wat gezegd wordt, geeft het woord nuance en diepte.

Steeds weer zie ik hoe de mensen, op zoek naar structuur en betrouwbaarheid, alles wat in het landschap van hun leven opduikt een naam geven. Alles wordt netjes opgeborgen in een ‘kist’, precies omschreven en bewaard. Maar wie ooit zwijgend voor de kast met begrippen heeft gestaan, die weet wat voor storm er in vele kisten rondwaart. Waar wilde, vrije energieën als gegijzelden worden gehouden, gewogen en gemeten. Daar waar begrippen elkaar zoeken, maar kunstmatig gescheiden elkaar smartelijk missen, lukt het soms het ene of andere begrip om zijn kist te openen en zelfs zijn gevangenis te ontvluchten.

Om het overzicht niet te verliezen, om mijzelf niet te verliezen, probeer ook ik alles te sorteren en te ordenen. Voor alles is er een concept, een woord, een kist. Ik heb begrippen voor de ziel, de geest, God, het universum. Concepten die mij laten geloven dat ik het begrijp. Concepten die zekerheid geven. Maar hoe kan ik dat herkennen dat van mij gescheiden is?

Wij zeggen: hier ben ik, daar is de ziel en daarboven is God. Volgens een zelfbedachte schaalverdeling ordenen we bepaalde dingen en gedragingen als dichter bij God of verder weg van God. Wij zeggen: iemand is wijs, maar een ander is wijzer. De een leeft dichtbij God en de ander ver van hem verwijderd. Maar wie zijn wij om te zeggen dat de één dichter bij God is dan de ander?

De mensen om mij heen zijn ervan bezeten dingen te benoemen en te meten. En toch beweer ik dat de werkelijkheid noch benoemd noch gemeten kan worden. Zij onttrekt zich aan alle woorden, zij existeert aan gene zijde van de vorm. In deze oneindige, ongebonden realiteit is de enige illusie die van het onderscheid. Als ik ophoud de dingen te benoemen, begin ik de dingen te zien als wat zij zijn, als deel van het oneindige, grenzeloze bewustzijn, net als ikzelf.

De zekerheid van de eenduidigheid verlaten

Natuurlijk is niet alles gelijk. In de wereld van de vormen bestaan verschillende trillingen, gradaties. Maar als ik woorden van onderscheid gebruik, beweeg ik mij aan de rand. Dan is werkelijkheid alleen maar weer een concept, waarover men strijd kan voeren. De weg van de rand naar het midden begon voor mij met veel woorden, met wegwijzers, met concepten, waaraan ik mij als aan een touw kon vasthouden. Steeds meer verbleken die concepten, worden onbelangrijk, staan in de weg. Namen en woorden verliezen hun betekenis; ik heb de hulp van hun eenduidigheid steeds minder nodig. Terwijl ik de zekerheid van de eenduidigheid verlaat, ontdek ik een nieuwe kracht, een nieuwe zekerheid die uit het midden opstijgt en mij geheel omhult.

Daar, in het centrum van alles, verliezen woorden iedere betekenis. Alles is één enkele echoënde klank van eenheid. Mij zeker voelende bij deze alomvattende tegenwoordigheid, leg ik de wapenrusting van de spraak af, laat ik mijn individueel gekleurde werkelijkheid los. In het hart van het hart, in het centrum van de schepping, zijn noch woorden noch concepten nodig. Daar is de oriëntering er altijd, daar ben ik een met het alles doordringende bewustzijn. Zonder onderscheid en uiterlijke identiteit is de eenheid een ervaring. In deze nieuwe werkelijkheid van het een-zijn ga ik op in de stille tegenwoordigheid die alles doordringt. In haar ontvang ik mijzelf opnieuw.

back to home pdf share